kerst in verbondenheid

eenzame dichter
thuisachterblijver
alleen gedachten
bij moeder en kind

land ver van hier
vol ziekenhuis
wachten op beurt
honden op de gang

voel niet alleen
onze gedachten
bij vrouw en kind
wij voelen jou

samen niet alleen
omringt door liefde
van Vader en Kind
“gij zijt bemind”

voor een dichter die achterbleef

 

(g)een brug te ver

normaal voor jou geen brug te ver
als naturist trotseer je vele paden
maar nu is ’t even plat in December
gestraft voor ondoordachte daden?

een extra lockdown onvoorzien
plat op de bank en nog niet uitgeklust
een brug te ver dit keer misschien?
daarom een bosje welverdiende rust

geniet van kleuren en van geuren
blijf dit keer thuis, het Is toch hondeweer
voorkom een ongeluks gebeuren
en laat het klussen aan de klusmeneer

voor een gevallen collega

De jas

‘Station Zwolle’ schalt er door de trein. Het is waar ik er uit moet. Eindelijk weer een kantoordag om mijn collega’s te ontmoeten. Ik maak me snel klaar, herschik mijn sjaal en trek de nieuwe jas, die ik mezelf gisteren cadeau heb gedaan, losjes om me heen.

Het gangpad vult zich snel met treinverlaters. Een indrukwekkend grote man in beveiligers uniform dringt zich achter mij naar voren; boze blikken en stille verwensingen worden zijn deel. Als hij eenmaal achter me stil staat houdt de onrust op en voel ik hoe een van zijn handen de kraag van mijn jas langzaam aftast.

‘Wilt u alstublieft afstand houden en u heeft ook al geen mondkapje voor’ zeg ik.
De grote man trekt geschrokken zijn hand terug en doet een stap achterwaarts, maar op het moment dat de trein tot stilstand komt voel ik dat zijn beide handen in mijn rug naar steun zoeken. Ik schiet naar voren en klamp mij vast aan de stang bij de uitgang en doe, als de trein tot stilstand is gekomen, een poging om haastig uit te stappen.

‘Kom, laat me u helpen mevrouw’ zegt de man met een licht trillende en lage stem.
‘Ik hoef geen hulp van u’ werp ik hem tegen.
‘Zie ik er uit alsof ik mezelf niet kan redden soms?’.
Ik draai mijn hoofd opzij en in een flits meen ik iets bekends te zien in zijn gezicht. Snel loop ik naar de uitgang van het station. De man heeft me blijkbaar ingehaald, hij leunt quasi ontspannen met zijn rechterschouder tegen de openstaande deur.

‘Mmm, kennen we elkaar ergens van?’
Al fluisterend buigt hij zich licht voorover naar mij.
‘Nou dat denk ik niet’ fluister ik terug.
‘Gisteren in Amersfoort?’
‘Nou dat denk ik niet’ herhaal ik nu luidkeels waarna ik een sprintje trek naar het busstation om de bus van drie uur – lijn 3 – nog te kunnen halen.

Als ik eindelijk mijn plaats heb gevonden voel ik hoe een hand mijn kraag weer aftast, alsof deze op zoek is naar iets bekends, iets eigens.
‘Wil je van me afblijven’ snauw ik nog voordat ik me heb kunnen omdraaien.
‘Lekker stofje mevrouw, heb ik u toch niet eerder gezien, gisteren bijvoorbeeld in de C&A in Amersfoort?’
Het is de man van daarnet. Mijn adem stokt. ‘Tom Poes, verzin een list’ zeg ik bijna hoorbaar tegen mezelf.

Als de bus bij de eerstvolgende halte stopt wacht ik tot het laatste moment en spring, met loszittende jas, de bus uit net voordat de deuren zich sluiten. Triomfantelijk zwaai ik de vertrekkende bus en de man na en neem ik plaats in het bushokje in afwachting van de eerstvolgende bus die mijn reis naar ons kantoor zal voltooien. Zonder er bij na te denken klop mijn beide schouders af, alsof ik iets van me af wil schudden. Of zijn het onbedoelde schouderklopjes dat ik het voor de zoveelste keer weer gered heb?

Als ik in de bus van kwart-over neergeploft ben op het voorste bankje voel ik een zachte, maar beklemmende hand, op mijn linker schouder neerkomen.

‘Mag ik u vragen, is deze jas van u mevrouw?’

Eduart en Anna

(personages- en dialoogoefening Schrijversvakschool) 

Eduart

Het is donderdagavond in Oslo. De straatverlichting is net aan en schijnt een nog zuinig schijnsel over de natte straten onder haar. De afgelopen dagen heeft het onophoudelijk geregend, maar nu is het gelukkig even droog. Links en rechts hoort Eduart deuren opengaan. “We zijn aan een ommetje toe” roept de buurman naar hem. “Na al die donkere regendagen moeten we er even uit, straatverbod of niet”. Sommige deuren gaan niet meer open. Corona heeft zijn tol geëist hier in armste wijk van Oslo.

Plots wordt het geluid van de hun eerste voetstappen overstemt door een luide knal alsof er glas breekt. Er is geschreeuw en verstijft kijkt Eduart in zichzelf gekeerd naar de grond. Stemmen ruziën met elkaar en Eduart zou het liefst hard wegvluchten, weg van daar. Na zijn laatste ruzie heeft hij zijn vader nooit weergezien. Maar nu houdt iets hem staande.

In het oranje schijnsel van de oude straatlantaren komt een vrouw aangerend. Het bloed gutst uit iets wat op een diepe snee lijkt. “Help me, help me”. Ze schreeuwt het uit. Ongepland schiet Eduart in de hulpstand en knielt naast de inmiddels flauwgevallen vrouw neer. Hij trekt zijn jas uit en legt deze behoedzaam onder haar hoofd. Als ze plotseling bijkomt schreeuwt ze het weer uit, haar priemende ogen verraden haar diepe angsten. Rustig beweegt Eduart zijn rechterhand over haar voorhoofd en spreekt woorden van troost, eerst luid en scherp articulerend, maar als haar geschreeuw verstomt is zachtjes en welhaast fluisterend. Dan pakt hij zijn linnen zakdoek, scheurt er witte repen van en bedekt daarmee haar gapende hoofdwond. Reep voor reep legt hij ze over haar wond, een links, een rechts alsof hij een zalvend ritueel uitvoert dat door de vrouw beantwoord lijkt te worden met een onverstaanbaar mompelen.

Als haar ogen zich vreedzaam gesloten hebben en de vrouw helemaal tot rust gekomen is ziet Eduart in de verte het aanstormende blauwe schijnsel van een politiewagen en het oranje straatlicht zich vermengen tot een lichtpaarse gloed die bij hem een gevoel van tevredenheid oproept, zoals vroeger toen hij als kleine jongen zijn vissen voerde en zij smakkend aan het wateroppervlak hem in hun mompellied daarvoor bedankten.

Anna

Eduart en Anna zijn een stel. Ze hebben elkaar afgelopen zomer ontmoet op de veerboot van Bremen naar Oslo. Vorige week dinsdag is ze vanuit Nederland naar hem toegekomen om de zomervakantie samen door te brengen in hun beider geliefde stad. Anna is een superrustige jonge vrouw. Al vergaat de hele wereld om haar heen, ze blijft rustig; daarom is ze ook zo goed in haar werk op de ambulance. Ze is de rust zelve, je zou haar een patiënten-fluisteraar kunnen noemen. Alleen haar aanwezigheid al is voldoende om de paniek die vaak volgt op een ongeluk om te zetten in een rustige en beheersbare operatie.

Met deze eigenschap heeft ze Eduart voor haar gewonnen. Na een stevige ruzie met zijn vader vluchtte hij het ouderlijk huis uit en bouwde hij zijn eigen leven op in een sloppenwijk in Oslo. Zijn baan in het restaurant op de veerboot heeft hem tot rust gebracht, het dagritme doet hem goed en die regelmaat voorkomt dat zijn angsten de overhand nemen.

In het restaurant zag hij haar helemaal achterin bij het raam zitten. Haar blonde haar leek hem te wenken en hij beantwoordde die oproep met een veelvuldig omzichtig schuifelen langs haar tafeltje, en een al even veelvuldig vragen of hij nog iets voor haar kon betekenen. Zijn onrustig aftastende ogen hadden haar innerlijke rust gebroken waardoor ze voor het eerst in haar leven een innerlijke onrust in haar voelde opkomen. Bij het afrekenen trilden haar vingers alsof ze loszaten en haar ogen zochten naar houvast buiten Eduart, maar vonden die niet.

Niet lang nadat de oude dame, die tegenover haar had gezeten, Anna’s achtergelaten handtas bij Eduart had ingeleverd wist hij het zeker. Zijn latent aanwezige angst maakte plaats voor een rust die hij van zichzelf niet kende. “Hij is van haar, ik voel het” fluisterde hij een aantal keren in zichzelf.

Dialoog

Toen zij de deur van haar hotelkamer achter zich sloot ging de telefoon. “Dag Eduart, met mij” zei ze zonder enige aarzeling. “Ik zal de koffie vast aanzetten”.

Er was geen weg terug. Eduart voelde een nauwelijks hanteerbare angst opkomen die de strijd aanging met zijn innerlijk verlangen naar rust en harmonie. De laatste overwon, al was het ook zijn geweten dat hem erop aansprak de gevonden handtas terug te geven aan de rechtmatige eigenaar.

“Kom binnen” fluisterde Anna, alsof ze zich schaamde voor de uitnodiging. “De koffie is al klaar, ga zitten”.  “Eh, dank je, hier is je tas die je was vergeten”. Anna’s reactie bleef uit, het lokaas had onopgemerkt zijn werk gedaan. In de ongemakkelijke stilte zocht Eduart naar een veilige plek om de zitten. “Toe, laten we gezellig bij het raam gaan zitten” zei Anna, wijzend op het raam dat uitzicht biedt over de haven. Het raam waardoor ze gisteren nog zat te gluren naar de rijzige gestalte van een onzeker heen en weer lopende man.

Die man zat nu bij haar op de bank en bracht met beide handen het iele kopje naar zijn trillende lippen. Toen ze elkaar ontmoetten ging het mis. Hevig geschrokken van de te warme koffie liet hij het kopje uit zijn handen vallen, zijn beide handen leeg achter latend. “Ach, geeft niet” zei Anna, “ik ruim het wel weer op, kopjes genoeg en de bank kan ik zo met een natte doek weer afnemen”.  “Nee, laat mij dat maar doen” riep Eduart angstig en schuldbewust. “Nee, hoor, doe ik wel” zei Hanna terwijl haar vanzelfsprekende rust dit keer overging in een lichte irritatie. Hij was immers haar gast en bovendien was het haar schuld dat ze de koffie zo heet geserveerd had en in een voor zijn handen te klein kopje. Doof voor haar weloverwogen woorden riep Eduart zichzelf een aantal malen herhalend: “Ik wil het doen, ik wil het doen”, waarop Anna rustig en kordaat de beide handen van de bijna vluchtende Eduart vastpakte en deze met haar eigen handen omsloot zodat hij tot rust kwam. “Geeft niet” fluisterde ze hem zachtjes toe, “het komt goed, je hoeft niet bang te zijn, ik stuur je niet weg. Laten we samen genieten van de ondergaande zon, de avond is nog lang.

Ontdekking in tweevoud

Het is nog vroeg, de dag neemt aarzelend afscheid van de nacht. Als de man zijn fiets aan het startbordje van de wandelroute verbindt is hij klaar voor zijn ochtendtocht. Een klein notitieboekje en wat eten vergezellen hem. Nadat hij zijn jas dichtgeritst heeft kan de tocht beginnen, haar bonten binnenvoering is als zijn te vroeg afgeworpen deken deze morgen, beschermer van een ontwakend lijf in een koud en mistig landschap.

Zijn stappen laten lange sporen na in het natte gras. Goudgele bladeren, wakker gewaaid door de ochtendwind, kiezen hun weg over het slingerende pad om er naast tot rust te komen. Zo nu en dan onderbreekt hij zijn slenterpassen om een te worden met het landschap en even stil te staan bij wat ze hem wil vertellen deze morgen. Dan onverwacht maakt een gevoel zich van hem meester om iets van haar boodschap te willen bewaren. Het zijn de eerste woorden en zinnen van die dag in het klein notitieboekje .

Aan het eind van het pad een hek. De man twijfelt of hij links of rechts zal gaan, maar hij wordt aangetrokken door wat er links is; een dalend pad naar wat door de laaghangende mist nog toegedekt is. Op het diepste punt van het pad een plas die haar onderbreekt als een spiegelpoort naar een onzichtbare bestemming. De aangetrokken laarzen doen hun werk en met droge voeten bereikt hij een afgesloten weiland.

“Hier wordt ik echt blij van” zegt hij zachtjes. Een lange rij donkergroene bijenkasten, die zich scherp aftekenen tegen de door de mist omgeven bomenrij er achter. De aarzelend doorbrekende zon verlicht de smalle gleuven die start- en landingsplaats zijn voor het net ontwaakte bijenvolk. Een door de wolken gebundelde zonnestraal beschijnt een grote paddenstoel die rechts aan het einde van de kastenrij zijn plek gevonden heeft en als een vuurtoren de wacht houdt op een nog slapend eiland. Wachter voor een nijver bijenvolk.

Nadat hij voor de laatste keer zijn potlood tussen zijn lippen bevochtigd heeft en de laatste letters in het notitieboekje heeft gekrabbeld vervolgt de man zijn weg en als hij zijn fiets weergevonden heeft is het landschap al met overtuiging aan de nieuwe dag begonnen.

Thuisgekomen ruimt hij zijn deken op en tot rust gekomen bladert hij door het kleine boekje, denkend aan de goudgele bladeren van die ochtend. Op sommige bladzijden wrijft hij met zijn moegeschreven vingers over het door vocht doorlopen woordenlandschap alsof hij de laatste restjes mist uit het vanochtend doorlopen landschap wegveegt en zo opnieuw ontdekt wat ze hem vanmorgen al wilde vertellen.

Van het slot

Coronatijd; het leven valt voor velen stil, ook dat van ons. De vorig jaar aangeschafte Museumjaarkaart  is er nog lang niet uit en dat gaat dit jaar ook niet meer gebeuren. Ook Kunstmaand Ameland slaat een jaartje over, waardoor onze kunst- en cultuurboom door gebrek aan voeding zijn bladeren snel aan het verliezen is. Ja – online – valt er van alles te beleven, maar dat voelt als het kijken naar een mooie vrouw zonder uitzicht op een spoedige ontmoeting. Hetzelfde gevoel dat je krijgt als je je oma alleen maar achter glas mag zien omdat er sprake is van besmettingsgevaar.

Er zullen mensen zijn die juist opleven als het leven minder spannend wordt en de ontmoetingen met de medemens, die vaak als confrontaties beleefd worden, uitblijven. Wij zijn inmiddels tot de conclusie gekomen dat we mensen-mensen zijn. Om het ongemak van ‘het lege nest’ te compenseren begon mijn vrouw een paar jaar geleden als gastouder met het opvangen van kinderen voor die een warm tweede thuis nodig hadden. De laatste jaren overigens geholpen door onze oudste dochter die haar eigen zonen graag hetzelfde thuis wilde bieden, als waar naar ze zelf allang niet meer verlangde omdat ze inmiddels haar eigen boontjes dopt.

Nu alle oppaskinderen thuis gehouden worden is het hier stilgevallen. Onze rolstoeldochter komt nu weer ieder weekend, tegen haar en onze voornemens in en compenseert zo enigszins ons en haar gemis aan ontmoetingen met anderen dan onszelf.

Met onszelf – die vraag hield me de afgelopen dagen bezig op zoek naar herinneringen die me houvast zouden kunnen bieden in een omgewoelde wereld om zo zaadjes te zijn, die kunnen uitgroeien tot stevige fruitbomen die me naast houvast ook een hernieuwde oogst zouden kunnen brengen.

Ik heb ze nog niet gevonden en al luisterend naar de oude blueslegende Harry Muskee wordt ik even stilgezet bij een mooie frase uit een lied dat verhaalt van een mooie ontmoeting die hem meer gebracht heeft dan hij ooit gevraagd heeft. More than I can ask for is de treffende titel waarin hij het gevoel verwoord dat past bij mijn vergeefse zoektocht naar vruchtbare herinneringen: When the key got stuck, in the door to my mind.

Als ik ontwaakt ben uit mijn korte stilstand besef ik me dat Harry’s sleuteltje ongevraagd een deurtje bij me heeft geopend. Bedankt onvergeten man. Morgen maar weer verder luisteren.

Spekkoper

Iedere zaterdag is het genieten op Radio 1 met het programma de Taalstaat  gepresenteerd door Frits Spits. Aangeraakt door mooie taalmomenten ga ik meestal de rest van de dag in als een taalpurist die de neiging voelt alle langskomende woorden en zinnen op een gouden schaaltje te willen wegen en te becommentariëren. Omdat er veel te wegen is wordt ik er snel moe van zodat ik er meestal voor het avondeten al weer mee stop.

Afgelopen zaterdag diende het eerste weegmoment zich al snel aan in een reclamespotje direct na afloop van het programma. De firma Specsavers liet ons daarin het volgende weten: ‘….. wij vergoeden 75% van uw hoortoestellen …..’. Gelukkig is mijn gehoor nog goed zodat ik me echt kon afvragen of ik het goed gehoord had. Zou Specsavers weten dat ik over een ruim assortiment hoortoestellen kan beschikken en ze mij daarom wil ontmoedigen ze allemaal vergoed te krijgen? Is het de firma ontgaan dat ik op latere leeftijd er maximaal twee zou willen aanschaffen en ik dus bij een verkeerde keuze helemaal niets vergoed krijg omdat mijn voorkeuren tot de 25% van het assortiment behoren die ze niet vergoed?

Nadat ik hun website bezocht had heb ik ze voor de zekerheid maar even gebeld met het verzoek om aan mijn cognitieve dissonantie een einde te willen maken. Het bleek dat ik, zoals ik al vermoedde, de website goed gelezen, maar het reclamespotje verkeerd beluisterd had. Na herhaalde uitlegpogingen gaf ik het uiteindelijk op en bedankte ik tenslotte vriendelijk voor de aangeboden gratis gehoortest.

Ik hou het voorlopig bij mijn vertrouwde bril. Aan mijn gehoor mankeert niets, of is het een list van de firma Specsavers om op deze wijze hun gehoor aan het eigen gehoor te laten twijfelen om zo de tijd rijp te willen maken voor een winstgevende afspraak? Ik geef er geen gehoor aan zodat ze deze potentiële spekkoper de komende tijd zullen moeten missen.

aan het einde van de pieperakker

ik loop over de pieperakker
gespoten loof bedekt de oogst
in regelmaat uitgelijnde ruggen
gekaderd door wat een akker heet

her en der vroegtijdige ontsnapping
door regen blootgelegde vruchten
door zonlicht groengekleurd
verraden zij wat de oogst zal zijn

tussen de ruggen spoort mijn voetpad
behoedzaam volg ik stil mijn weg
naar wat ik sinds lang wilde ontmoeten
daar aan de akkerrand ver weg

het is een bomenpaar los van een rij
windvangers om de rest te beschermen
tegen de droge wind en natte stormen
en het gestuif van de gespoten akker

ze zijn een paar maar niet hetzelfde
de kopse boom is niet meer bij
stervend vallen haar takken neer
steeds meer steeds meer

de elementen werden haar te veel
of zou het platgespoten loof
een voorbode zijn geweest
wat haar en de rest te wachten stond

de jarenlange oogst van
wat ons voedsel is
laat zo haar dode sporen na
de hele bomenrij zal sterven

nu ik ook kalend wordt
vraag ik me af wiens
wind ik ving en wat
de akker mij gebracht heeft

Is Mullisch te evenaren?

“Nat wordt je pas als je uit het water komt”. Ik luister vaak naar de ‘Taalstraat’ van Frits Spits en afgelopen zaterdag kwam dit aforisme van Mullisch ter sprake, waarna het me de daarop volgende nachtrust heeft gekost. Puzzelaar als ik ben was ik de hele nacht op zoek naar – zeg maar – het algoritme dat ten grondslag ligt aan deze treffende uitspraak, zodat ik Mullisch zou kunnen evenaren. Ik verdwaalde met mijn ICT achtergrond in attributen en overerving en probeerde er een vergelijkbaar aforisme uit te persen. Het is me niet gelukt en toch moet het mogelijk zijn denk ik ondersteund door een verhaal uit mijn studietijd over kunstmatige intelligentie. Het ging over een bijna gepensioneerde dijkbewaker ergens in Amerika, die iedere dag zijn rondje liep over de dijken van een waterreservoir en dan, soms al stampend, aangaf waar de dijk te zwak was en versterkt moest worden. Een volgende dijkbewaker vond men te duur en daarom werd naar een ‘geautomatiseerde’ oplossing gezocht. Wetenschappers die zich met kunstmatige intelligentie bezighielden wilden daarom weten op basis van welke regels de man zijn besluiten nam en kwamen er na drie jaar puzzelen achter dat het er slechts vijf waren die hij altijd toepaste en in nagenoeg alle gevallen de juiste ingrepen opleverde.

Het is dus een kwestie van tijd om Mullisch te evenaren en dus puzzel ik nog even door, tenzij Harry een geval apart is. Zijn eigen antwoord meen ik al te kennen.

verjaardagsfoto

hier sta ik net 33 te zijn
of is het zitten wat ik doe

ik hou me onzichtbaar vast

loslaten is geen optie

wachten op de sluitertijd
hij neemt er de tijd voor
en ondertussen scherpstellen
zonder focus te verliezen

na eindeloos klikken sta ik er op
van zitten is geen sprake meer