aan het einde van de pieperakker

ik loop over de pieperakker
gespoten loof bedekt de oogst
in regelmaat uitgelijnde ruggen
gekaderd door wat een akker heet

her en der vroegtijdige ontsnapping
door regen blootgelegde vruchten
door zonlicht groengekleurd
verraden zij wat de oogst zal zijn

tussen de ruggen spoort mijn voetpad
behoedzaam volg ik stil mijn weg
naar wat ik sinds lang wilde ontmoeten
daar aan de akkerrand ver weg

het is een bomenpaar los van een rij
windvangers om de rest te beschermen
tegen de droge wind en natte stormen
en het gestuif van de gespoten akker

ze zijn een paar maar niet hetzelfde
de kopse boom is niet meer bij
stervend vallen haar takken neer
steeds meer steeds meer

de elementen werden haar te veel
of zou het platgespoten loof
een voorbode zijn geweest
wat haar en de rest te wachten stond

de jarenlange oogst van
wat ons voedsel is
laat zo haar dode sporen na
de hele bomenrij zal sterven

nu ik ook kalend wordt
vraag ik me af wiens
wind ik ving en wat
de akker mij gebracht heeft

Is Mullisch te evenaren?

“Nat wordt je pas als je uit het water komt”. Ik luister vaak naar de ‘Taalstraat’ van Frits Spits en afgelopen zaterdag kwam dit aforisme van Mullisch ter sprake, waarna het me de daarop volgende nachtrust heeft gekost. Puzzelaar als ik ben was ik de hele nacht op zoek naar – zeg maar – het algoritme dat ten grondslag ligt aan deze treffende uitspraak, zodat ik Mullisch zou kunnen evenaren. Ik verdwaalde met mijn ICT achtergrond in attributen en overerving en probeerde er een vergelijkbaar aforisme uit te persen. Het is me niet gelukt en toch moet het mogelijk zijn denk ik ondersteund door een verhaal uit mijn studietijd over kunstmatige intelligentie. Het ging over een bijna gepensioneerde dijkbewaker ergens in Amerika, die iedere dag zijn rondje liep over de dijken van een waterreservoir en dan, soms al stampend, aangaf waar de dijk te zwak was en versterkt moest worden. Een volgende dijkbewaker vond men te duur en daarom werd naar een ‘geautomatiseerde’ oplossing gezocht. Wetenschappers die zich met kunstmatige intelligentie bezighielden wilden daarom weten op basis van welke regels de man zijn besluiten nam en kwamen er na drie jaar puzzelen achter dat het er slechts vijf waren die hij altijd toepaste en in nagenoeg alle gevallen de juiste ingrepen opleverde.

Het is dus een kwestie van tijd om Mullisch te evenaren en dus puzzel ik nog even door, tenzij Harry een geval apart is. Zijn eigen antwoord meen ik al te kennen.

Melanie

Af en toe mag je getuige zijn van een prachtig voorbeeld van miscommunicatie, die zijn oorsprong vindt in een gebrekkige waarneming. Gek genoeg denken we bij communiceren meer aan praten dan aan luisteren, of breder gezegd: waarnemen.

Zo was ik getuige van een ‘gesprek’- het was meer een poging daartoe – tussen een zwaar spastisch meisje en een met haar contact zoekende vrouw op leeftijd. Die laatste zal zich afgevraagd hebben wat iemand met een toetsenbord op zijn rolstoel moet en zal er helemaal niet bij stilstaan gestaan hebben wat de functie is van een uitleesvenstertje. Haar veronderstelling was blijkbaar dat je in zo’n (rol)toestand waarschijnlijk ook wel doof zult zijn en daarom startte ze haar ‘gesprek’ middels handgebaren. Het meisje reageerde zichtbaar geïrriteerd en begon – voor zover het ging – als een razende te typen. ‘Denkt ze dat ik gek en doof ben’ verscheen er in het venstertje. Ze ging ze er van uit – ook een waarneming – dat de vrouw het toch niet zou lezen; haar inschatting was juist: de boodschap was voor mij bedoeld.

De vrouw ging onverstoord door met haar handgebaren, want blijkbaar had ‘het meisje het niet goed begrepen’; inderdaad en ze was dat ook niet van plan. Weer typte ze een bericht dat haar ergernis verwoordde. Blijkbaar vond ze dat ik in moest grijpen, maar ik ben meer van het waarnemen. Het ‘gesprek’ eindigde in een desillusie voor de vrouw; haar oogopslag verraadde de teleurstelling geen werkelijk contact te hebben gekregen met iemand die volgens haar – terechte – inschatting het zo hard nodig heeft.

Waarnemen alleen lijkt me overigens niet genoeg, je waarneming moet ook nog een beeld opleveren – ook al valt het buiten je eigen kaders – waarop je je communicatie kunt afstemmen. Dat eigen kader kan ons redelijk dwars zitten. Het is goed af en toe getuige te zijn van zo’n ‘gesprek’,

….. of was ik deelnemer?

13% retour

Ik ben bij Zembla aangeland. Een uitzending over retourstromen bij webwinkels heeft mijn interesse gewekt. Ik droom even kort weg naar mijn studietijd waarin ik het consumentengedrag bij het grootwinkelbedrijf bestudeerde. Een ogenschijnlijk vreemde interactie tussen logistiek en menselijk gedrag. Schappen-plannen, looproutes en overprikkeling die tot hypnose leidt. Ik smulde er destijds van.

In deze uitzending dezelfde onderwerpen. ‘Bestel maar, bestel maar’ is het devies van de webwinkel. Maak het de consument maar zo makkelijk mogelijk en dus doen we het makkelijk, gewoon omdat het kan: vijf stuks bestellen in verschillende kleuren en er vier terugsturen – kosteloos natuurlijk. Of twee dagen in een nette outfit lopen en deze met parfum en al retourneren – kosteloos natuurlijk.

Gaandeweg de uitzending wordt steeds duidelijker hoeveel we retourneren – 13%1 – en wat de gevolgen daarvan zijn. Omdat een groot deel van de retourartikelen niet meer verkocht kan worden omdat het zelf- of slechts de verpakking beschadigd is ontstaat een hele handel rond deze ‘afvalstroom’. Pakhuizen vol klaar voor verzending naar verre oorden en gigantische machines die spullen vernietigen omdat men er geen andere bestemming voor weet.

Het kijken naar deze gigantische verspilling en vernietiging stemt me somber en vervult me met schaamte omdat ik soms ook winkel bij die winkels en omdat sommige van mijn kids eenzelfde bestelbeleid hanteren – gewoon omdat het kan.

Ik blijf achter in verwondering, ik wist niet dat het zo erg was. Met andere ervaringen is dit er één die me in de handen van de lokale detailhandel drijft.

‘Mag ik nog even die andere schoenen passen mevrouw’. Tot vorige maand kon dat nog. Nu staat er een bordje op de deur dat de zaak dicht is. De ‘sprinkhanen’ hebben hun werk gedaan.

1schatting: 80 miljoen euro.

Ik lust er wel soep van

Het moet in de 80-tiger jaren zijn geweest. Mijn verloofde en ik zouden bij ons thuis gaan eten, met z’n tweeën. De rest zat in het AZG bij mijn zieke moeder.

Nog voordat we de sleutel omgedraaid hadden keken we elkaar aan. Een doordringende soepgeur wakkerde onze teleurstelling aan dat we niet alleen zouden zijn. De voordeur klemde licht en vertraagde onze snel voorgenomen binnenkomst. Eenmaal binnen zagen we vanuit de donkere gang twee schimmen achter het matte raam van de keukendeur. Beiden klein, maar de een iets groter dan de ander. Ze waren te druk om onze binnenkomst op te merken.

We besloten het ganglicht uit te laten en de schimmen even hun gaan te laten gaan. Vanachter het matglas zagen we hoe hoge vlammen hun weg zochten in de hoek van het fornuis.

Licht gealarmeerd trokken we de deur open en ontwaarden we twee jongens uit de lagere-school-leeftijd die heftig in een kleine pan stonden te roeren op een te grote gaspit. De pan had het bruisende goedje niet kunnen houden en het hele gaststel bleek veranderd in een oersoep. Op het aanrecht een tiental morsig geopende soepzakjes.

Ze keken ons aan alsof we verwacht werden en dus gingen zo ongestoord door met hun kookkunsten. Nadat we het gas uitgedraaid hadden was voor hun de lol eraf en vertrokken ze rustig en teleurgesteld door de achterdeur.

De soep hebben we maar laten staan. Vanwege de hoeveelheid geopende zakjes waren de zoutkristallen in de brei bijna zichtbaar.

De volgende ochtend vertelde mijn oudste broer dat de soep die hij bij zijn late thuiskomst opgewarmd had verrassend zout smaakte, maar dat hij er desondanks van genoten had.

bij mijn aanmelding voor de schrijversvakschool

(reeds eerder gepubliceerd)

Tussen de gitaren zit ik weer. Ik heb me een schrijfplekje toegeëigend in het midden van de winkel. Een vorige keer schreef ik er al een stukje over en deze keer kan in de aandrang ook niet onderdrukken.

Mijn zoon is aan het puzzelen, te weinig linkshandigen en de exemplaren die hij geprobeerd heeft lijken niet te bevallen. En hier zit ik dan, terwijl om mij heen de muziek opstijgt uit een keur van instrumenten.

Een junior medewerker – student letterkunde – heeft me een kopje koffie gebracht en een tweede tafeltje bijgeplaatst om mijn geschrijf niet te bemorsen.

‘Aan het schrijven meneer ?‘.
Wat zal ik antwoorden …..

Ik vertel van mijn vorige ervaringen in deze winkel en dat ik er ook een stukje over schreef en dat ik dat tot een boekje gebundeld heb dat nu in de winkel ligt.

‘Bent u een schrijver meneer ?‘.
Wat zal ik antwoorden …..

Ik vertel dat ik gisteren het boekenbal bezocht, samen met mijn broer die ondanks zijn hoge leeftijd nog als beste boekverkoper te boek staat. Laatst was hij nog op TV en zijn baas beaamde dat hij gewoon de beste is. De mond van de student staat inmiddels wijdt open. ‘Dat is ook mijn droom meneer, dat boekenbal’. Met een diepe buiging treedt hij achterwaarts, steun zoekend bij collega’s die hem troostend opvangen.

Fluisterend en mij niet uit het oog verliezend spreken ze met elkaar. Ongeloof heeft zich van hun meester gemaakt.  Hun gefluister blijft niet onopgemerkt en andere gasten willen er het hunne van weten. Uit alle hoeken van de winkel snellen ze toe en staren mij inmiddels aan met opengesperde ogen. Ik geniet ervan, van mij mag het nog even duren.

Tegen sluitingstijd komt er pas verandering in het tafereel. De meesten zijn bijgekomen van de schrik en durven eerst nu om een handtekening te vragen, Met verve krabbel ik mijn naam op borsten en billen en als de winkel leeg is wil ook het personeel een blijvende herinnering. Als laatste komt de jongste bediende langs voor een afrondend gesprekje. Zijn adoratie lijkt inmiddels verdwenen. Bijgekomen van de emoties heeft hij het schouwspel van een afstand gevolgd en heeft zich suf gepeinsd wat er achter mijn brede glimlach kan zitten.

‘Mag ik weten hoe u heet meneer ?’.
Wat zal ik antwoorden …..

Als ik mijn naam zeg verstikt hij.

‘Bent u wel echt schrijver meneer en spreekt u wel de waarheid meneer ?’.
Wat zal ik antwoorden …..

‘Niets dan de waarheid jongeman, wat heb ik anders het afgelopen uur gedaan ?’.

Castor en Pollux

Warm is het, te warm om te slapen. Half vier, ik ga er maar weer uit en loop onrustig door deuren en langs ramen. Staand voor een open raam kijk ik naar de sterrenhemel die zich schijnbaar deze nacht wil laten ontdekken.

Links naast een bijna verborgen maan staat een heldere ster die uitnodigend straalt waardoor ik me af vraag wat zijn of haar naam is. Mijn fotovriend – natuurkenner van korstmos tot kosmos – heeft me getipt over een mooie app die de sterrenhemel een naam geeft. De afgelopen nachten heb ik hem vaak gebruikt en ben ik verrast over zijn werking en de informatie die hij biedt; er gaat een wereld voor je open, een die groter is dan waarop ik nu op rondloop. Venus is het, geen ster, maar een planeet. Ik heb het verschil gisteren nog aan mijn kleinzoon uitgelegd; je bent alleen zichtbaar in het licht van een ander. Maan en Venus, beiden planeten die het van een ander moeten hebben.

Als mijn ogen verder aan het duister gewend zijn zie ik nog verderop links van de maan twee kleine lichtpuntjes, het blijken Castor en Pollux te zijn, de helderste sterren van het sterrenbeeld Tweelingen. Mijn associatief brein neemt me mee langs oude beelden en herinneringen als reiziger door tijd en ruimte. Ik wordt er rustig van; te weten onderdeel te zijn van een groter geheel geeft de mens rust – niet langer alleen te zijn in een slapeloze nacht.

De afgelopen weken brachten juist wel een sfeer van eenzaamheid en onrust. Beperkte levensruimte en contactloos leven vormden de contouren van ons bestaan. We haalden onze rolstoeldochter naar huis om haar te beschermen tegen een onzichtbare vijand en zelf maakten we korte uitvluchten naar een vaste plek op een naburige camping. Heen en weer in tijd en ruimte …..

Op de app lijkt een satellietspoor de sterren en planeten in twee werelden te plaatsen; die van licht geven en die van licht ontvangen. Net zoals in de mythologie de Griekse tegenhangers van Castor en Pollux. Zij verbleven de ene dag als goden op de Olympus en de andere dag als sterfelijke zielen in Tartaros; evenzo voelde ik me soms heen en weer geslingerd tussen twee soortgelijke werelden.

Maar nu is er dus even rust en nadat ik de app leeg-gelezen heb besluit ik mijn eigen ‘Leda’ weer op te zoeken in de hoop de slaap te kunnen hervinden. Verrassend hoe soms twee werelden tot één versmelten als je tijd en afstand even de ruimte geeft.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Castor_en_Pollux

In- en verhuistraining

Vandaag maar eens mijn hometrainer opgepoetst. Hij stond al een tijdje in de garage en zou op de weggeefhoek beland zijn ware het niet dat mijn vrouw gisteren een opmerking maakte over mijn bewegelijkheid, of beter gezegd het gebrek daaraan.

En dus snel ik de komende tijd met een fictieve 25 kim/uur naar onbekende oorden. Het bevalt me goed, want de TV brengt niets dan onrust en alle herhalingen zijn al meerdere keren bekeken. Kortom: tijd voor een gezonde levensstijl, je lichaam en geest laten bewegen en leegmaken. Net zoals onze spulletjes; bewegen en weg ermee….

Omdat onze kinderen allemaal de deur uit zijn en ze tegen onze hoop in weinig spullen hebben meegenomen, hebben we die beweging zelf maar eens in gang gezet. Wat kan een mens toch wat verzamelen zo door de jaren heen en wat lijkt het juist vandaag de dag allemaal overbodig.

Opmerkelijk is het dat we niet de enigen blijken te zijn; iedereen is aan het opruimen geslagen met als gevolg files bij de gemeentestort. Jammer van de circulaire economie die kringloopwinkels draaiende hield, daar staat het even stil nu. Ik betwijfel trouwens of onze opruimerigheid alleen ingegeven wordt door het feit dat we nu meer bij huis zitten, meer tijd hebben en volgens sommigen zelfs tijd over hebben. Voor de vakantie heb ik namelijk ook altijd die neiging. Het gevoel je huis netjes achter te willen laten heeft wellicht meer te maken dat je de optie openhoud dat je niet meer terugkomt. Zou dat nu ook meespelen omdat het virus dichterbij komt en we vluchtneigingen krijgen en dus weg willen naar verre oorden? Op mijn ‘fiets’ ga ik het niet redden denk ik, want ik zal ingehaald worden door de werkelijkheid. Daarom hou ik de gang er maar in; thuis dus.

Van beeld, tekst en een broodmachine

Op mijn fotografie site beschrijf ik waar mijn passie ligt en verwoord die in termen van ‘Licht en Letters’. Het zal niemand verbazen dat in tijden van een pandemie en de daarmee samenhangende isolatie, waarin ik mij met een deel van mijn gezin bevind, er weinig te fotograferen valt. Mijn rolstoeldochter heeft whatsappies de wereld ingestuurd als teken van leven, maar daar blijft het dan ook bij. Mijn fotowerk ligt op zijn gat, juist omdat ik fotograaf van de ontmoeting wil zijn.

Het ‘Licht’ is even uit dus en wat resteert zijn de ‘Letters’. En daar heb ik er gelukkig nog genoeg van. Juist in een periode van rust en afzondering komen de gedachten van deze toe- en beschouwer vanzelf en ontstaat de behoefte deze woorden te geven. Ik heb daarom mijn oude website met blogs nieuw leven in geblazen en laat me verrassen wat er allemaal komen gaat – het is er de tijd ook naar zullen we maar zeggen.

‘Of ik een hamsteraar ben’ vroeg ik mezelf af vandaag. De lang gekoesterde broodmachine is gearriveerd en een van mijn niet opgesloten dochters heeft zowaar een pak broodmix kunnen bemachtigen en bij ons voor de deur gezet samen met een tros bananen en wat sinaasappelen, noodzakelijke bestrijdingsmiddelen voor mijn nu al drie weken aanhoudende griep. Ik zat dus al binnen, dus zit ik dankzij corona-gevaar eigenlijk in de verlenging, die waarschijnlijk langer gaat duren dan de wedstrijd zelf. Hopelijk komen er geen strafschoppen, want er valt niets te winnen.

Met enige aarzeling heb ik de voordeur geopend en trok ik ongezien mijn reddingspakket binnen onze vesting, want dat is het. Het tuinhek zit op slot, de brievenbus is weer buiten opgehangen en er staat een blauwe container met een briefje dat daar de pakketjes in mogen, want de goederenstroom moet gaande blijven; een trapdingentje voor mijn rolstoeldochter nu de fysio is weggevallen en een leesboek dat ik later aan de kleinkinderen wil geven.

In onze vesting zijn de voorschriften aangescherpt want onze rolstoeldochter hebben we niet voor niets weer thuisgehaald. Het was een vreemd gevoel haar weer ‘naar huis’ te halen en ik moest denken aan een verhaal dat ik eerder schreef toen ze de deur uit ging op weg naar ‘zelfstandig’ wonen in een begeleide setting. ‘Daar gaat ze’ was de titel van de blog en nu dacht ik ‘Daar komt ze’. Want lang gaat het waarschijnlijk duren en onze levens zullen weer meer verstrikt dan wat destijds – met tranen in de ogen – de bedoeling was. Toch is het fijn weer zo voor elkaar te kunnen zorgen al is de setting de verkeerde. Zij doet de was weer en helpt met van alles mee als ware het haar geplande dagbesteding.

Het hamsteren zij me vergeven hoop ik; het kleine beetje geeft me als mantelzorger het gevoel dat ik het niet alleen voor mezelf doe. We zullen de broodmachine morgen uitproberen en als het smakelijk brood oplevert zal ik de rest van de familie vragen me wekelijks wat extra mixjes aan te leveren.

 

Eén wereld

En zo wordt je samen stilgezet. Corona lijkt alles te beheersen. De (mogelijke) gevolgen voor ons gezin zijn groot. Onze rolstoeldochter zit opgesloten in haar eigen huisje omdat de dagbesteding dicht is en zij en haar buurmannen en -vrouwen geen bezoek meer mogen ontvangen. Ze is niet de enige die behoort tot de vergeten groep als het gaat om aandacht en maatregelen. Omdat ze tot de kwetsbaren behoort vragen wij ons af of we haar naar ons huis moeten halen; uit voorzorg mijden we daarom zelf maar zoveel mogelijke contacten inclusief die met de kleinkinderen. Andere kinderen van ons hebben kwetsbare beroepen en vragen zich af hoe het verder gaat met werk, gezin of huis.

Ondanks de retorisch mooie toespraak van Rutte blijf ik toch met tegenstrijdige gevoelens zitten. Het is er de tijd niet voor om te gaan jij-bakken, maar ik wordt toch een beetje iebel van de woorden als ‘we hebben ze hard nodig’ en ‘we zijn trots op ze’ als het om werkers binnen gezondheidszorg, het onderwijs en de politie gaat. Juist naar deze, veelal door passie gedreven, werkers is er de afgelopen jaren te weinig geluisterd als het over hun problemen ging omdat het door hem geleide kabinet juist niet luisterde naar deskundigen en met veel valse ‘logos’ en te weinig ‘pathos’ haar eigen ‘ethos’ aan het verspelen was. Ze zijn stelselmatig ondergewaardeerd en nu blijken we ze allemaal hard nodig te hebben om …. ja, wat om?

Natuurlijk heeft een samenleving een gezonde economie nodig, maar is geld de enige noemer die telt? Als de wegvallende export zo enorm is (85% van de bloemen) vraag je je af waarom we al deze werkers niet ‘inzetten’ voor onze eigen (voedsel)productie en in de publieke sector. Boeren zouden hierin een onderscheidende rol kunnen spelen; van varkens naar bloemkolen, van kippen en kazen naar meer gewassen voor eigen consumptie. Ik roep maar eens wat.

Zelf ben ik een beetje bang dat we met een forse greep uit onze diepe zakken het huidige systeem zo snel als mogelijk weer op het oude niveau willen brengen zonder na te denken over de systeemfouten in bijvoorbeeld de wereldhandel en -economie. Misschien is het ook handig bij een redesign ook de milieu-, verkeersproblemen en het uit de hand gelopen massatoerisme mee te nemen; allemaal kenmerken van een wereld die sneller moet dan ze kan. Ik weet dat sommigen het een ‘rotmaatregel’ vinden, maar onze wereld moet echt van 130 naar 100 en minder willen we niet verstoppen en verstikken ! En af en toe eens samen een dag helemaal – uit eigener beweging – stil gaan staan. Ik ken trouwens Iemand die dat ook zo bedoeld heeft.