groene moes

een paprika een peul en peer
gingen eens stappen op een keer

zij kwamen op een kruising aan
maar zagen oom agent niet staan

die floot dat het een wellust was
zijn longen uit zijn ribbenkas

toen kwam van links en rechts verkeer
en was de groene paprika niet meer

zo bleven peul en peer alleen
en gingen verder naar het scheen

een fietspad op tussen de vandalen
die ongeremd op hun pedalen

hun achtervolgden als een speer
de peul voorop en dan de peer

tot aan het einde van hun krachten
de peul en peer hun tred verzachten

dus kwamen de vandalen dichterbij
en reden peul tot moeserij

de peer ontsnapte tot plezier
van een klein ventje kwik en fier

die altijd zong onder de douche
van meisjes en van peremoes

en hoopte op een dag zoals vandaag
een peer te vangen in een vlaag

om hem vervolgens op zijn kop te slaan
dus was het met de peer gedaan

zo kwamen paprika en peul en peer
na ’t wandelen niet heel’maal weer

wat is de les uit dit verhaal:

als u een groene groente bent
laat u niet pletten door een vent
vandalen of in het verkeer
maar wacht geduldig op een heer
of dame die geheel volgens de normen
u tot een volle groene soep wil vormen

dichte gedachten    

drie avonden op rij
niks zinnigs op papier
gedachten op de loop
‘kom hier’ roep ik
en laat je vormen
tot een gedicht dat
spreekt van wat ik wil
voorlopig is het stil

vanmorgen in de mist
met straffe tegenwind
een zelfde liedje
geen beelden en gedachten
om te bewaren
tot het moment
dat ze zo nodig zijn
zoals nu

starend naar bekraste vellen
potlood meermaals geslepen
zit ik te wachten
totdat het beter wordt
mijn hoop als brandstof
wachtend op de vonk
die mij ontvlamt
tot dichterschap

nu het de late uurtjes zijn
vraag ik me duttend af
waarom mijn hoop niet is ontvlamd
en ik nog vrucht’loos zit te staren

was het vandaag geen vonkentijd
of is de mist niet weggewaaid
en zaten mijn gedachten dicht
de dichter in mij opgesloten?

Biopt

Academisch Ziekenhuis Berlijn, herfst 2005, vrijdagmiddag half vijf.
Professor Mette Mengele ijsbeert tussen de balie van de afdeling Kinderneurologie en het raam met uitzicht op de gehandicaptenparkeerplaatsen. Ze heeft een afspraak met Hannah, een onzekere en angstige twintiger, die ze al tien jaar behandeld vanwege de spasmen in haar benen. Na jaren van genetisch onderzoek en MRI’s ontbreekt het bewijs dat het om een variant gaat van het syndroom van Mengele, waarmee ze in 2001 internationaal doorbrak als autoriteit op het gebied van witte-stof-ziekten. Een biopt zal naar haar overtuiging het sluitende bewijs leveren voor haar vermoedens. Op de naam van de nieuwe variant heeft ze al geoefend. Haar gouden vulpen weet ervan.

Het is niet haar enige afspraak vandaag. Ze is uitgenodigd voor de promotie van haar ex-collega Karel Knapnie die ook nog maar een ziekte op zijn naam heeft staan. Om goed voor de dag te komen heeft ze vorige week online een Chanel mantelpak gekocht, met vier gouden knopen. Ze heeft het alvast meegenomen, zodat ze straks niet weer langs huis hoeft. Trots heeft ze het vanmorgen getoond aan de afdeling; 5478 euro voor een ‘pre-owned’ mantelpak, maar dat laatste heeft ze er niet bij verteld.

‘Alweer te laat’ zegt ze, terwijl ze toekijkt hoe Hannah zich beneden in haar rolstoel wurmt en haar rugtas achterop haar rolstoel slingert.
‘En dan is ze nog niet boven’ vult haar persoonlijke assistente vanachter de balie aan. ‘Let u er wel op dat u om iets na vijven weg moet, anders mist u de promotie’. ‘Als ik u was zou ik me alvast omkleden, anders redt u het nooit.’
‘Dank je Eva, wil jij dan Hannah even voor me opvangen tot ik klaar ben?’

Met de armen over elkaar staat Mette in de deuropening van haar behandelkamer. Een grote witte doktersjas bedekt haar laatste aankoop. Als ze Hannah ziet aankomen kijkt ze nog even kort haar onderzoekskamer in en telt ondersteund door licht knikkende bewegingen wat ze zo-even klaargelegd heeft. In het rode licht van de avondzon werpt het scalpel een kleine sikkel van licht op haar netvlies. Als ze achter zich klepperende rolstoelwieltjes hoort neemt ze voldaan haar oude pose weer aan.

‘Welkom Hannah, je bent laat, ga maar direct naar binnen.’
‘Ja sorry, ik nam de verkeerde afslag bij het Julianaplein en ..’ Meer woorden krijgt Hannah er niet uit. Zittend op de rand van haar bureau heeft Mette’s opgestoken linkerhand een grijpende beweging gemaakt alsof ze daarmee Hannah’s resterende woorden heeft gevangen. Hannah zwijgt.
‘De vorige keer dat je hier was hebben we de resultaten besproken van de nieuwe MRI-scans. Deze lieten zien dat er sprake is van een stabiel myeline-tekort in zowel de hersenen als in het ruggenmerg en dat er dus wellicht sprake is van een nog onbekende ziekte. Hebben jullie het er thuis nog over gehad?’
Hannah’s antwoord blijft uit. Haar ogen tasten door de half geopende open  doktersjas. Vier gouden knopen tussen gekartelde revers op een achtergrond van leer zuigen haar aandacht weg van Mette’s vraag.

‘Hebben je het er thuis nog over gehad?’ vraagt Mette opnieuw. ‘En over de biopt uit een voetzenuw die we vandaag zouden nemen?’
‘Ja, oh ja, maar de meningen waren verdeeld’ zegt Hannah. ‘Mijn ouders zijn voor, maar ik ben bang dat ik na de tijd geen gevoel meer heb in mijn voet.’
‘Zo ken ik je’ zegt Mette, terwijl ze over Hannah heen kijkt naar de wandklok die kwart-voor-vijf aangeeft. ‘Altijd twijfelen hè, kom meid, die biopt stelt niets voor en die zenuw groeit wel weer aan. Doe het ook voor al die andere patiënten, sta niet alleen stil bij je eigen problemen.’ En terwijl ze dit zegt buigt ze voorover, pakt Hannah’s rechtervoet en trekt behendig haar schoen en sok uit.

‘Zo da’s dat’ zegt ze waarna ze Hannah’s voet trefzeker op het kussen werpt dat  ze klaargelegd heeft op de behandeltafel. Als Hannah haar voet terug wil trekken is Mette haar voor en drukt de voet diep en klemvast in het kussen.
‘Ik wil niet’ schreeuwt Hannah ‘straks ben ik het gevoel in mijn voet kwijt.’ En terwijl ze een achterwaartse ruk aan haar wielen geeft, komt haar voet los uit zijn benarde positie. Met een harde klap komt de rolstoel tegen de muur achter haar tot stilstand, waarna de wandklok op het afgesleten marmoleum smakt en op vijf-voor-vijf blijft steken.
Seconden lang staart Mette naar het lege kussen. Dan doet ze een stap naar voren, gaat door haar knieën en kijkt Hannah recht in haar betraande ogen.
‘Dit is niet fair van je Hannah, kom nou, laten we elkaar helpen.’ Als ze daarna met haar handen zachtjes over Hannah’s knieën wrijft voelt ze hoe deze zich in een onrustig ritme heen en weer bewegen.
‘Je bent gespannen hè, ik snap het, toe, het is zo voorbij.’
‘Ok, alleen als u voorzichtig doet en niet zo dramt. Het spijt me, soms reageer ik teveel vanuit mijn angsten, mijn onderzoekstrauma’s worden me soms de baas.’

‘Kom, leg je voet maar weer op het kussen hier. Ik zal voorzichtig zijn en door de zalf zul je er niets van merken.’ Al neuriënd trekt Mette alles binnen handbereik, het petrischaaltje, de scalpel, de verdovingszalf. Dan zet ze haar loepbril op en kromt ze zich boven Hannah’s voet. Haar linkerhand zoekt naar de tube zalf, maar vindt deze niet; een van de zachte vloer opstijgend plofje bevestigt haar angstige vermoeden.
‘Dan maar zonder’, mompelt ze nog net hoorbaar voor Hannah. Snel pakt ze het scalpel en brengt deze in stelling om in een korte actie een stukje van de oppervlakkig liggende zenuw te bemachtigen.
Net voordat de scalpel de voet raakt voelt ze hoe Hannah haar voet wegtrekt waardoor de gelanceerde scalpel haar witte doktersjas doorklieft. Door de grote scheur blinken in het laatste restje zonlicht drie gouden knopen.

Het is vijf-over-vijf als Mette ziet hoe Hannah aan het einde van de gang op een wiel de bocht neemt en bovenop haar gestrekte arm een dichtgeknepen hand toont.

Schuifdeuren

Het is de zoveelste avond dat ik met mijn vrouw het nieuws van de dag doorneem aan de hand van de vele talkshows die ons land rijk is. Meestal levert mijn vrouw direct en uitvoerig commentaar, alsof ze er zelf aan tafel zit. Als virtuele talkshow host probeer ik haar dan met handgebaren tot stilte te manen omdat ik op zo’n moment liever naar Jinek en haar gasten zelf luister. Onze dochter, die de weekenden bij ons thuis is, neemt meestal het zekere voor het onzekere en volgt op die momenten, te midden van bakken chips en andere lekkernijen, haar favoriete programma’s aan de keukentafel.

Vanavond is het echt bal. Het kabinet heeft zich na een lange periode van struikelen gecontroleerd laten vallen over de – je dacht dat je een toeslag kreeg – affaire. Een val in slow motion – je kunt tenslotte niet iedere dag hevig schrikken – en dus mochten we de afgelopen dagen achter de fanfare van journalisten en talkshowhosts aanlopen richting de knekelplaats. Normaal gesproken is het in huize Leene een oase van rust, beleefdheid en weloverwogen taalgebruik, maar vanavond gaan alle remmen los, alsof de waterbak aan het einde van de achtbaan even niet oplet en we doorschieten naar onontgonnen terrein waar alle soorten conflicten (die we onlangs op de schrijversvakschool behandeld hebben) met elkaar de strijd aangaan.

Als het ergste achter de rug is gaan de schuifdeuren, die kamer van keuken scheiden, langzaam open. Het is onze dochter die met een kaasplankje op schoot aan komt rollen en met een gevoel voor understatement aan ons vraagt of het nog een beetje gaat. Ze weet dat onze voorliefde voor kaas het zal winnen van de woordenbrijen en klanken die tot dan toe het binnenklimaat domineerden. Zou ze echter weten dat onze reacties van vanavond meer dan ons lief is voortkomen uit een nog steeds voortdurende strijd met een zorgverlener die haar de afgelopen jaren aan haar kwetsbare lot heeft overgelaten en dat geld alleen niet voldoende is om alle wonden te helen? Nee, ze weet het niet.

Als ze terugrolt en de schuifdeuren weer achter haar gesloten heeft kijken we elkaar begrijpend en in stilte aan. Met kaas in de mond is het moeilijk praten. Over twee weken weer een bijeenkomst en als het aan ons ligt niet met gesloten deuren. We weten inmiddels hoe ze te openen en hoe ze open te houden. Twee Kamerleden gaven daarvan de afgelopen jaren ook een goed voorbeeld.

Rechtvaardigheid is het kind van vader Volharding en moeder Deugd.

 

Verjaardag

‘Klik’, de deur valt zachtjes achter haar in het slot. Met een parmantige zwaai heeft ze hem precies op tijd losgelaten zodat hij zonder lawaai in het slot valt. Dan staat ze even stil op het van oude waaltjes gevormde tuinpad en neemt ze een paar volle teugen van de frisse buitenlucht. Zij en Joris hebben afgesproken na een uurtje thuisles altijd even samen een ommetje te maken.

Aan het einde van het pad het tuinhek dat haar man gemaakt heeft vlak voordat hij verdronk in de vijver aan het einde van de straat. Ze is gewend dat Joris altijd even aan de overkant van de straat op haar wachtte, maar dit keer is het plekje onder de boom leeg. Met een ferme zwaai gooit ze het tuinhek achter zich dicht. ‘Dat joch ook altijd’ werpt ze de autowassende buurman toe.

‘Ik heb toch zo gezegd dat je altijd op me moest wachten.’ Joris die gehurkt aan de vijverkant zit haalt zijn schouders op en tuurt in het kraakheldere water, daar waar de salamanders hun domein hebben. ‘Kijk mam, daar zwemt hij, hij heeft een vuurrode buik, het is papa’s lievelingssalamander, de we vorig jaar weer vrijgelaten hebben.’

Dan buigt ze haar knieën en als ze hem zit slaat ze haar arm om zijn schouder en trekt hem zachtjes tegen zich aan. ‘Ik weet het jongen, vandaag is het pappa’s verjaardag.’

kerst in verbondenheid

eenzame dichter
thuisachterblijver
alleen gedachten
bij moeder en kind

land ver van hier
vol ziekenhuis
wachten op beurt
honden op de gang

voel niet alleen
onze gedachten
bij vrouw en kind
wij voelen jou

samen niet alleen
omringt door liefde
van Vader en Kind
“gij zijt bemind”

voor een dichter die achterbleef

 

(g)een brug te ver

normaal voor jou geen brug te ver
als naturist trotseer je vele paden
maar nu is ’t even plat in December
gestraft voor ondoordachte daden?

een extra lockdown onvoorzien
plat op de bank en nog niet uitgeklust
een brug te ver dit keer misschien?
daarom een bosje welverdiende rust

geniet van kleuren en van geuren
blijf dit keer thuis, het Is toch hondeweer
voorkom een ongeluks gebeuren
en laat het klussen aan de klusmeneer

voor een gevallen collega

De jas

‘Station Zwolle’ schalt er door de trein. Het is waar ik er uit moet. Eindelijk weer een kantoordag om mijn collega’s te ontmoeten. Ik maak me snel klaar, herschik mijn sjaal en trek de nieuwe jas, die ik mezelf gisteren cadeau heb gedaan, losjes om me heen.

Het gangpad vult zich snel met treinverlaters. Een indrukwekkend grote man in beveiligers uniform dringt zich achter mij naar voren; boze blikken en stille verwensingen worden zijn deel. Als hij eenmaal achter me stil staat houdt de onrust op en voel ik hoe een van zijn handen de kraag van mijn jas langzaam aftast.

‘Wilt u alstublieft afstand houden en u heeft ook al geen mondkapje voor’ zeg ik.
De grote man trekt geschrokken zijn hand terug en doet een stap achterwaarts, maar op het moment dat de trein tot stilstand komt voel ik dat zijn beide handen in mijn rug naar steun zoeken. Ik schiet naar voren en klamp mij vast aan de stang bij de uitgang en doe, als de trein tot stilstand is gekomen, een poging om haastig uit te stappen.

‘Kom, laat me u helpen mevrouw’ zegt de man met een licht trillende en lage stem.
‘Ik hoef geen hulp van u’ werp ik hem tegen.
‘Zie ik er uit alsof ik mezelf niet kan redden soms?’.
Ik draai mijn hoofd opzij en in een flits meen ik iets bekends te zien in zijn gezicht. Snel loop ik naar de uitgang van het station. De man heeft me blijkbaar ingehaald, hij leunt quasi ontspannen met zijn rechterschouder tegen de openstaande deur.

‘Mmm, kennen we elkaar ergens van?’
Al fluisterend buigt hij zich licht voorover naar mij.
‘Nou dat denk ik niet’ fluister ik terug.
‘Gisteren in Amersfoort?’
‘Nou dat denk ik niet’ herhaal ik nu luidkeels waarna ik een sprintje trek naar het busstation om de bus van drie uur – lijn 3 – nog te kunnen halen.

Als ik eindelijk mijn plaats heb gevonden voel ik hoe een hand mijn kraag weer aftast, alsof deze op zoek is naar iets bekends, iets eigens.
‘Wil je van me afblijven’ snauw ik nog voordat ik me heb kunnen omdraaien.
‘Lekker stofje mevrouw, heb ik u toch niet eerder gezien, gisteren bijvoorbeeld in de C&A in Amersfoort?’
Het is de man van daarnet. Mijn adem stokt. ‘Tom Poes, verzin een list’ zeg ik bijna hoorbaar tegen mezelf.

Als de bus bij de eerstvolgende halte stopt wacht ik tot het laatste moment en spring, met loszittende jas, de bus uit net voordat de deuren zich sluiten. Triomfantelijk zwaai ik de vertrekkende bus en de man na en neem ik plaats in het bushokje in afwachting van de eerstvolgende bus die mijn reis naar ons kantoor zal voltooien. Zonder er bij na te denken klop mijn beide schouders af, alsof ik iets van me af wil schudden. Of zijn het onbedoelde schouderklopjes dat ik het voor de zoveelste keer weer gered heb?

Als ik in de bus van kwart-over neergeploft ben op het voorste bankje voel ik een zachte, maar beklemmende hand, op mijn linker schouder neerkomen.

‘Mag ik u vragen, is deze jas van u mevrouw?’

Ontdekking in tweevoud

Het is nog vroeg, de dag neemt aarzelend afscheid van de nacht. Als de man zijn fiets aan het startbordje van de wandelroute verbindt is hij klaar voor zijn ochtendtocht. Een klein notitieboekje en wat eten vergezellen hem. Nadat hij zijn jas dichtgeritst heeft kan de tocht beginnen, haar bonten binnenvoering is als zijn te vroeg afgeworpen deken deze morgen, beschermer van een ontwakend lijf in een koud en mistig landschap.

Zijn stappen laten lange sporen na in het natte gras. Goudgele bladeren, wakker gewaaid door de ochtendwind, kiezen hun weg over het slingerende pad om er naast tot rust te komen. Zo nu en dan onderbreekt hij zijn slenterpassen om een te worden met het landschap en even stil te staan bij wat ze hem wil vertellen deze morgen. Dan onverwacht maakt een gevoel zich van hem meester om iets van haar boodschap te willen bewaren. Het zijn de eerste woorden en zinnen van die dag in het klein notitieboekje .

Aan het eind van het pad een hek. De man twijfelt of hij links of rechts zal gaan, maar hij wordt aangetrokken door wat er links is; een dalend pad naar wat door de laaghangende mist nog toegedekt is. Op het diepste punt van het pad een plas die haar onderbreekt als een spiegelpoort naar een onzichtbare bestemming. De aangetrokken laarzen doen hun werk en met droge voeten bereikt hij een afgesloten weiland.

“Hier wordt ik echt blij van” zegt hij zachtjes. Een lange rij donkergroene bijenkasten, die zich scherp aftekenen tegen de door de mist omgeven bomenrij er achter. De aarzelend doorbrekende zon verlicht de smalle gleuven die start- en landingsplaats zijn voor het net ontwaakte bijenvolk. Een door de wolken gebundelde zonnestraal beschijnt een grote paddenstoel die rechts aan het einde van de kastenrij zijn plek gevonden heeft en als een vuurtoren de wacht houdt op een nog slapend eiland. Wachter voor een nijver bijenvolk.

Nadat hij voor de laatste keer zijn potlood tussen zijn lippen bevochtigd heeft en de laatste letters in het notitieboekje heeft gekrabbeld vervolgt de man zijn weg en als hij zijn fiets weergevonden heeft is het landschap al met overtuiging aan de nieuwe dag begonnen.

Thuisgekomen ruimt hij zijn deken op en tot rust gekomen bladert hij door het kleine boekje, denkend aan de goudgele bladeren van die ochtend. Op sommige bladzijden wrijft hij met zijn moegeschreven vingers over het door vocht doorlopen woordenlandschap alsof hij de laatste restjes mist uit het vanochtend doorlopen landschap wegveegt en zo opnieuw ontdekt wat ze hem vanmorgen al wilde vertellen.

Van het slot

Coronatijd; het leven valt voor velen stil, ook dat van ons. De vorig jaar aangeschafte Museumjaarkaart  is er nog lang niet uit en dat gaat dit jaar ook niet meer gebeuren. Ook Kunstmaand Ameland slaat een jaartje over, waardoor onze kunst- en cultuurboom door gebrek aan voeding zijn bladeren snel aan het verliezen is. Ja – online – valt er van alles te beleven, maar dat voelt als het kijken naar een mooie vrouw zonder uitzicht op een spoedige ontmoeting. Hetzelfde gevoel dat je krijgt als je je oma alleen maar achter glas mag zien omdat er sprake is van besmettingsgevaar.

Er zullen mensen zijn die juist opleven als het leven minder spannend wordt en de ontmoetingen met de medemens, die vaak als confrontaties beleefd worden, uitblijven. Wij zijn inmiddels tot de conclusie gekomen dat we mensen-mensen zijn. Om het ongemak van ‘het lege nest’ te compenseren begon mijn vrouw een paar jaar geleden als gastouder met het opvangen van kinderen voor die een warm tweede thuis nodig hadden. De laatste jaren overigens geholpen door onze oudste dochter die haar eigen zonen graag hetzelfde thuis wilde bieden, als waar naar ze zelf allang niet meer verlangde omdat ze inmiddels haar eigen boontjes dopt.

Nu alle oppaskinderen thuis gehouden worden is het hier stilgevallen. Onze rolstoeldochter komt nu weer ieder weekend, tegen haar en onze voornemens in en compenseert zo enigszins ons en haar gemis aan ontmoetingen met anderen dan onszelf.

Met onszelf – die vraag hield me de afgelopen dagen bezig op zoek naar herinneringen die me houvast zouden kunnen bieden in een omgewoelde wereld om zo zaadjes te zijn, die kunnen uitgroeien tot stevige fruitbomen die me naast houvast ook een hernieuwde oogst zouden kunnen brengen.

Ik heb ze nog niet gevonden en al luisterend naar de oude blueslegende Harry Muskee wordt ik even stilgezet bij een mooie frase uit een lied dat verhaalt van een mooie ontmoeting die hem meer gebracht heeft dan hij ooit gevraagd heeft. More than I can ask for is de treffende titel waarin hij het gevoel verwoord dat past bij mijn vergeefse zoektocht naar vruchtbare herinneringen: When the key got stuck, in the door to my mind.

Als ik ontwaakt ben uit mijn korte stilstand besef ik me dat Harry’s sleuteltje ongevraagd een deurtje bij me heeft geopend. Bedankt onvergeten man. Morgen maar weer verder luisteren.