Schuifdeuren

Het is de zoveelste avond dat ik met mijn vrouw het nieuws van de dag doorneem aan de hand van de vele talkshows die ons land rijk is. Meestal levert mijn vrouw direct en uitvoerig commentaar, alsof ze er zelf aan tafel zit. Als virtuele talkshow host probeer ik haar dan met handgebaren tot stilte te manen omdat ik op zo’n moment liever naar Jinek en haar gasten zelf luister. Onze dochter, die de weekenden bij ons thuis is, neemt meestal het zekere voor het onzekere en volgt op die momenten, te midden van bakken chips en andere lekkernijen, haar favoriete programma’s aan de keukentafel.

Vanavond is het echt bal. Het kabinet heeft zich na een lange periode van struikelen gecontroleerd laten vallen over de – je dacht dat je een toeslag kreeg – affaire. Een val in slow motion – je kunt tenslotte niet iedere dag hevig schrikken – en dus mochten we de afgelopen dagen achter de fanfare van journalisten en talkshowhosts aanlopen richting de knekelplaats. Normaal gesproken is het in huize Leene een oase van rust, beleefdheid en weloverwogen taalgebruik, maar vanavond gaan alle remmen los, alsof de waterbak aan het einde van de achtbaan even niet oplet en we doorschieten naar onontgonnen terrein waar alle soorten conflicten (die we onlangs op de schrijversvakschool behandeld hebben) met elkaar de strijd aangaan.

Als het ergste achter de rug is gaan de schuifdeuren, die kamer van keuken scheiden, langzaam open. Het is onze dochter die met een kaasplankje op schoot aan komt rollen en met een gevoel voor understatement aan ons vraagt of het nog een beetje gaat. Ze weet dat onze voorliefde voor kaas het zal winnen van de woordenbrijen en klanken die tot dan toe het binnenklimaat domineerden. Zou ze echter weten dat onze reacties van vanavond meer dan ons lief is voortkomen uit een nog steeds voortdurende strijd met een zorgverlener die haar de afgelopen jaren aan haar kwetsbare lot heeft overgelaten en dat geld alleen niet voldoende is om alle wonden te helen? Nee, ze weet het niet.

Als ze terugrolt en de schuifdeuren weer achter haar gesloten heeft kijken we elkaar begrijpend en in stilte aan. Met kaas in de mond is het moeilijk praten. Over twee weken weer een bijeenkomst en als het aan ons ligt niet met gesloten deuren. We weten inmiddels hoe ze te openen en hoe ze open te houden. Twee Kamerleden gaven daarvan de afgelopen jaren ook een goed voorbeeld.

Rechtvaardigheid is het kind van vader Volharding en moeder Deugd.

Verjaardag

‘Klik’, de deur valt zachtjes achter haar in het slot. Met een parmantige zwaai heeft ze hem precies op tijd losgelaten zodat hij zonder lawaai in het slot valt. Dan staat ze even stil op het van oude waaltjes gevormde tuinpad en neemt ze een paar volle teugen van de frisse buitenlucht. Zij en Joris hebben afgesproken na een uurtje thuisles altijd even samen een ommetje te maken.

Aan het einde van het pad het tuinhek dat haar man gemaakt heeft vlak voordat hij verdronk in de vijver aan het einde van de straat. Ze is gewend dat Joris altijd even aan de overkant van de straat op haar wachtte, maar dit keer is het plekje onder de boom leeg. Met een ferme zwaai gooit ze het tuinhek achter zich dicht. ‘Dat joch ook altijd’ werpt ze de autowassende buurman toe.

‘Ik heb toch zo gezegd dat je altijd op me moest wachten.’ Joris die gehurkt aan de vijverkant zit haalt zijn schouders op en tuurt in het kraakheldere water, daar waar de salamanders hun domein hebben. ‘Kijk mam, daar zwemt hij, hij heeft een vuurrode buik, het is papa’s lievelingssalamander, de we vorig jaar weer vrijgelaten hebben.’

Dan buigt ze haar knieën en als ze hem zit slaat ze haar arm om zijn schouder en trekt hem zachtjes tegen zich aan. ‘Ik weet het jongen, vandaag is het pappa’s verjaardag.’

De jas

‘Station Zwolle’ schalt er door de trein. Het is waar ik er uit moet. Eindelijk weer een kantoordag om mijn collega’s te ontmoeten. Ik maak me snel klaar, herschik mijn sjaal en trek de nieuwe jas, die ik mezelf gisteren cadeau heb gedaan, losjes om me heen.

Het gangpad vult zich snel met treinverlaters. Een indrukwekkend grote man in beveiligers uniform dringt zich achter mij naar voren; boze blikken en stille verwensingen worden zijn deel. Als hij eenmaal achter me stil staat houdt de onrust op en voel ik hoe een van zijn handen de kraag van mijn jas langzaam aftast.

‘Wilt u alstublieft afstand houden en u heeft ook al geen mondkapje voor’ zeg ik.
De grote man trekt geschrokken zijn hand terug en doet een stap achterwaarts, maar op het moment dat de trein tot stilstand komt voel ik dat zijn beide handen in mijn rug naar steun zoeken. Ik schiet naar voren en klamp mij vast aan de stang bij de uitgang en doe, als de trein tot stilstand is gekomen, een poging om haastig uit te stappen.

‘Kom, laat me u helpen mevrouw’ zegt de man met een licht trillende en lage stem.
‘Ik hoef geen hulp van u’ werp ik hem tegen.
‘Zie ik er uit alsof ik mezelf niet kan redden soms?’.
Ik draai mijn hoofd opzij en in een flits meen ik iets bekends te zien in zijn gezicht. Snel loop ik naar de uitgang van het station. De man heeft me blijkbaar ingehaald, hij leunt quasi ontspannen met zijn rechterschouder tegen de openstaande deur.

‘Mmm, kennen we elkaar ergens van?’
Al fluisterend buigt hij zich licht voorover naar mij.
‘Nou dat denk ik niet’ fluister ik terug.
‘Gisteren in Amersfoort?’
‘Nou dat denk ik niet’ herhaal ik nu luidkeels waarna ik een sprintje trek naar het busstation om de bus van drie uur – lijn 3 – nog te kunnen halen.

Als ik eindelijk mijn plaats heb gevonden voel ik hoe een hand mijn kraag weer aftast, alsof deze op zoek is naar iets bekends, iets eigens.
‘Wil je van me afblijven’ snauw ik nog voordat ik me heb kunnen omdraaien.
‘Lekker stofje mevrouw, heb ik u toch niet eerder gezien, gisteren bijvoorbeeld in de C&A in Amersfoort?’
Het is de man van daarnet. Mijn adem stokt. ‘Tom Poes, verzin een list’ zeg ik bijna hoorbaar tegen mezelf.

Als de bus bij de eerstvolgende halte stopt wacht ik tot het laatste moment en spring, met loszittende jas, de bus uit net voordat de deuren zich sluiten. Triomfantelijk zwaai ik de vertrekkende bus en de man na en neem ik plaats in het bushokje in afwachting van de eerstvolgende bus die mijn reis naar ons kantoor zal voltooien. Zonder er bij na te denken klop mijn beide schouders af, alsof ik iets van me af wil schudden. Of zijn het onbedoelde schouderklopjes dat ik het voor de zoveelste keer weer gered heb?

Als ik in de bus van kwart-over neergeploft ben op het voorste bankje voel ik een zachte, maar beklemmende hand, op mijn linker schouder neerkomen.

‘Mag ik u vragen, is deze jas van u mevrouw?’

Ontdekking in tweevoud

Het is nog vroeg, de dag neemt aarzelend afscheid van de nacht. Als de man zijn fiets aan het startbordje van de wandelroute verbindt is hij klaar voor zijn ochtendtocht. Een klein notitieboekje en wat eten vergezellen hem. Nadat hij zijn jas dichtgeritst heeft kan de tocht beginnen, haar bonten binnenvoering is als zijn te vroeg afgeworpen deken deze morgen, beschermer van een ontwakend lijf in een koud en mistig landschap.

Zijn stappen laten lange sporen na in het natte gras. Goudgele bladeren, wakker gewaaid door de ochtendwind, kiezen hun weg over het slingerende pad om er naast tot rust te komen. Zo nu en dan onderbreekt hij zijn slenterpassen om een te worden met het landschap en even stil te staan bij wat ze hem wil vertellen deze morgen. Dan onverwacht maakt een gevoel zich van hem meester om iets van haar boodschap te willen bewaren. Het zijn de eerste woorden en zinnen van die dag in het klein notitieboekje .

Aan het eind van het pad een hek. De man twijfelt of hij links of rechts zal gaan, maar hij wordt aangetrokken door wat er links is; een dalend pad naar wat door de laaghangende mist nog toegedekt is. Op het diepste punt van het pad een plas die haar onderbreekt als een spiegelpoort naar een onzichtbare bestemming. De aangetrokken laarzen doen hun werk en met droge voeten bereikt hij een afgesloten weiland.

“Hier wordt ik echt blij van” zegt hij zachtjes. Een lange rij donkergroene bijenkasten, die zich scherp aftekenen tegen de door de mist omgeven bomenrij er achter. De aarzelend doorbrekende zon verlicht de smalle gleuven die start- en landingsplaats zijn voor het net ontwaakte bijenvolk. Een door de wolken gebundelde zonnestraal beschijnt een grote paddenstoel die rechts aan het einde van de kastenrij zijn plek gevonden heeft en als een vuurtoren de wacht houdt op een nog slapend eiland. Wachter voor een nijver bijenvolk.

Nadat hij voor de laatste keer zijn potlood tussen zijn lippen bevochtigd heeft en de laatste letters in het notitieboekje heeft gekrabbeld vervolgt de man zijn weg en als hij zijn fiets weergevonden heeft is het landschap al met overtuiging aan de nieuwe dag begonnen.

Thuisgekomen ruimt hij zijn deken op en tot rust gekomen bladert hij door het kleine boekje, denkend aan de goudgele bladeren van die ochtend. Op sommige bladzijden wrijft hij met zijn moegeschreven vingers over het door vocht doorlopen woordenlandschap alsof hij de laatste restjes mist uit het vanochtend doorlopen landschap wegveegt en zo opnieuw ontdekt wat ze hem vanmorgen al wilde vertellen.

Van het slot

Coronatijd; het leven valt voor velen stil, ook dat van ons. De vorig jaar aangeschafte Museumjaarkaart  is er nog lang niet uit en dat gaat dit jaar ook niet meer gebeuren. Ook Kunstmaand Ameland slaat een jaartje over, waardoor onze kunst- en cultuurboom door gebrek aan voeding zijn bladeren snel aan het verliezen is. Ja – online – valt er van alles te beleven, maar dat voelt als het kijken naar een mooie vrouw zonder uitzicht op een spoedige ontmoeting. Hetzelfde gevoel dat je krijgt als je je oma alleen maar achter glas mag zien omdat er sprake is van besmettingsgevaar.

Er zullen mensen zijn die juist opleven als het leven minder spannend wordt en de ontmoetingen met de medemens, die vaak als confrontaties beleefd worden, uitblijven. Wij zijn inmiddels tot de conclusie gekomen dat we mensen-mensen zijn. Om het ongemak van ‘het lege nest’ te compenseren begon mijn vrouw een paar jaar geleden als gastouder met het opvangen van kinderen voor die een warm tweede thuis nodig hadden. De laatste jaren overigens geholpen door onze oudste dochter die haar eigen zonen graag hetzelfde thuis wilde bieden, als waar naar ze zelf allang niet meer verlangde omdat ze inmiddels haar eigen boontjes dopt.

Nu alle oppaskinderen thuis gehouden worden is het hier stilgevallen. Onze rolstoeldochter komt nu weer ieder weekend, tegen haar en onze voornemens in en compenseert zo enigszins ons en haar gemis aan ontmoetingen met anderen dan onszelf.

Met onszelf – die vraag hield me de afgelopen dagen bezig op zoek naar herinneringen die me houvast zouden kunnen bieden in een omgewoelde wereld om zo zaadjes te zijn, die kunnen uitgroeien tot stevige fruitbomen die me naast houvast ook een hernieuwde oogst zouden kunnen brengen.

Ik heb ze nog niet gevonden en al luisterend naar de oude blueslegende Harry Muskee wordt ik even stilgezet bij een mooie frase uit een lied dat verhaalt van een mooie ontmoeting die hem meer gebracht heeft dan hij ooit gevraagd heeft. More than I can ask for is de treffende titel waarin hij het gevoel verwoord dat past bij mijn vergeefse zoektocht naar vruchtbare herinneringen: When the key got stuck, in the door to my mind.

Als ik ontwaakt ben uit mijn korte stilstand besef ik me dat Harry’s sleuteltje ongevraagd een deurtje bij me heeft geopend. Bedankt onvergeten man. Morgen maar weer verder luisteren.

Spekkoper

Iedere zaterdag is het genieten op Radio 1 met het programma de Taalstaat  gepresenteerd door Frits Spits. Aangeraakt door mooie taalmomenten ga ik meestal de rest van de dag in als een taalpurist die de neiging voelt alle langskomende woorden en zinnen op een gouden schaaltje te willen wegen en te becommentariëren. Omdat er veel te wegen is wordt ik er snel moe van zodat ik er meestal voor het avondeten al weer mee stop.

Afgelopen zaterdag diende het eerste weegmoment zich al snel aan in een reclamespotje direct na afloop van het programma. De firma Specsavers liet ons daarin het volgende weten: ‘….. wij vergoeden 75% van uw hoortoestellen …..’. Gelukkig is mijn gehoor nog goed zodat ik me echt kon afvragen of ik het goed gehoord had. Zou Specsavers weten dat ik over een ruim assortiment hoortoestellen kan beschikken en ze mij daarom wil ontmoedigen ze allemaal vergoed te krijgen? Is het de firma ontgaan dat ik op latere leeftijd er maximaal twee zou willen aanschaffen en ik dus bij een verkeerde keuze helemaal niets vergoed krijg omdat mijn voorkeuren tot de 25% van het assortiment behoren die ze niet vergoed?

Nadat ik hun website bezocht had heb ik ze voor de zekerheid maar even gebeld met het verzoek om aan mijn cognitieve dissonantie een einde te willen maken. Het bleek dat ik, zoals ik al vermoedde, de website goed gelezen, maar het reclamespotje verkeerd beluisterd had. Na herhaalde uitlegpogingen gaf ik het uiteindelijk op en bedankte ik tenslotte vriendelijk voor de aangeboden gratis gehoortest.

Ik hou het voorlopig bij mijn vertrouwde bril. Aan mijn gehoor mankeert niets, of is het een list van de firma Specsavers om op deze wijze hun gehoor aan het eigen gehoor te laten twijfelen om zo de tijd rijp te willen maken voor een winstgevende afspraak? Ik geef er geen gehoor aan zodat ze deze potentiële spekkoper de komende tijd zullen moeten missen.

Is Mullisch te evenaren?

“Nat wordt je pas als je uit het water komt”. Ik luister vaak naar de ‘Taalstraat’ van Frits Spits en afgelopen zaterdag kwam dit aforisme van Mullisch ter sprake, waarna het me de daarop volgende nachtrust heeft gekost. Puzzelaar als ik ben was ik de hele nacht op zoek naar – zeg maar – het algoritme dat ten grondslag ligt aan deze treffende uitspraak, zodat ik Mullisch zou kunnen evenaren. Ik verdwaalde met mijn ICT achtergrond in attributen en overerving en probeerde er een vergelijkbaar aforisme uit te persen. Het is me niet gelukt en toch moet het mogelijk zijn denk ik ondersteund door een verhaal uit mijn studietijd over kunstmatige intelligentie. Het ging over een bijna gepensioneerde dijkbewaker ergens in Amerika, die iedere dag zijn rondje liep over de dijken van een waterreservoir en dan, soms al stampend, aangaf waar de dijk te zwak was en versterkt moest worden. Een volgende dijkbewaker vond men te duur en daarom werd naar een ‘geautomatiseerde’ oplossing gezocht. Wetenschappers die zich met kunstmatige intelligentie bezighielden wilden daarom weten op basis van welke regels de man zijn besluiten nam en kwamen er na drie jaar puzzelen achter dat het er slechts vijf waren die hij altijd toepaste en in nagenoeg alle gevallen de juiste ingrepen opleverde.

Het is dus een kwestie van tijd om Mullisch te evenaren en dus puzzel ik nog even door, tenzij Harry een geval apart is. Zijn eigen antwoord meen ik al te kennen.

Melanie

Af en toe mag je getuige zijn van een prachtig voorbeeld van miscommunicatie, die zijn oorsprong vindt in een gebrekkige waarneming. Gek genoeg denken we bij communiceren meer aan praten dan aan luisteren, of breder gezegd: waarnemen.

Zo was ik getuige van een ‘gesprek’- het was meer een poging daartoe – tussen een zwaar spastisch meisje en een met haar contact zoekende vrouw op leeftijd. Die laatste zal zich afgevraagd hebben wat iemand met een toetsenbord op zijn rolstoel moet en zal er helemaal niet bij stilstaan gestaan hebben wat de functie is van een uitleesvenstertje. Haar veronderstelling was blijkbaar dat je in zo’n (rol)toestand waarschijnlijk ook wel doof zult zijn en daarom startte ze haar ‘gesprek’ middels handgebaren. Het meisje reageerde zichtbaar geïrriteerd en begon – voor zover het ging – als een razende te typen. ‘Denkt ze dat ik gek en doof ben’ verscheen er in het venstertje. Ze ging ze er van uit – ook een waarneming – dat de vrouw het toch niet zou lezen; haar inschatting was juist: de boodschap was voor mij bedoeld.

De vrouw ging onverstoord door met haar handgebaren, want blijkbaar had ‘het meisje het niet goed begrepen’; inderdaad en ze was dat ook niet van plan. Weer typte ze een bericht dat haar ergernis verwoordde. Blijkbaar vond ze dat ik in moest grijpen, maar ik ben meer van het waarnemen. Het ‘gesprek’ eindigde in een desillusie voor de vrouw; haar oogopslag verraadde de teleurstelling geen werkelijk contact te hebben gekregen met iemand die volgens haar – terechte – inschatting het zo hard nodig heeft.

Waarnemen alleen lijkt me overigens niet genoeg, je waarneming moet ook nog een beeld opleveren – ook al valt het buiten je eigen kaders – waarop je je communicatie kunt afstemmen. Dat eigen kader kan ons redelijk dwars zitten. Het is goed af en toe getuige te zijn van zo’n ‘gesprek’,

….. of was ik deelnemer?

13% retour

Ik ben bij Zembla aangeland. Een uitzending over retourstromen bij webwinkels heeft mijn interesse gewekt. Ik droom even kort weg naar mijn studietijd waarin ik het consumentengedrag bij het grootwinkelbedrijf bestudeerde. Een ogenschijnlijk vreemde interactie tussen logistiek en menselijk gedrag. Schappen-plannen, looproutes en overprikkeling die tot hypnose leidt. Ik smulde er destijds van.

In deze uitzending dezelfde onderwerpen. ‘Bestel maar, bestel maar’ is het devies van de webwinkel. Maak het de consument maar zo makkelijk mogelijk en dus doen we het makkelijk, gewoon omdat het kan: vijf stuks bestellen in verschillende kleuren en er vier terugsturen – kosteloos natuurlijk. Of twee dagen in een nette outfit lopen en deze met parfum en al retourneren – kosteloos natuurlijk.

Gaandeweg de uitzending wordt steeds duidelijker hoeveel we retourneren – 13%1 – en wat de gevolgen daarvan zijn. Omdat een groot deel van de retourartikelen niet meer verkocht kan worden omdat het zelf- of slechts de verpakking beschadigd is ontstaat een hele handel rond deze ‘afvalstroom’. Pakhuizen vol klaar voor verzending naar verre oorden en gigantische machines die spullen vernietigen omdat men er geen andere bestemming voor weet.

Het kijken naar deze gigantische verspilling en vernietiging stemt me somber en vervult me met schaamte omdat ik soms ook winkel bij die winkels en omdat sommige van mijn kids eenzelfde bestelbeleid hanteren – gewoon omdat het kan.

Ik blijf achter in verwondering, ik wist niet dat het zo erg was. Met andere ervaringen is dit er één die me in de handen van de lokale detailhandel drijft.

‘Mag ik nog even die andere schoenen passen mevrouw’. Tot vorige maand kon dat nog. Nu staat er een bordje op de deur dat de zaak dicht is. De ‘sprinkhanen’ hebben hun werk gedaan.

1schatting: 80 miljoen euro.

Ik lust er wel soep van

Het moet in de 80-tiger jaren zijn geweest. Mijn verloofde en ik zouden bij ons thuis gaan eten, met z’n tweeën. De rest zat in het AZG bij mijn zieke moeder.

Nog voordat we de sleutel omgedraaid hadden keken we elkaar aan. Een doordringende soepgeur wakkerde onze teleurstelling aan dat we niet alleen zouden zijn. De voordeur klemde licht en vertraagde onze snel voorgenomen binnenkomst. Eenmaal binnen zagen we vanuit de donkere gang twee schimmen achter het matte raam van de keukendeur. Beiden klein, maar de een iets groter dan de ander. Ze waren te druk om onze binnenkomst op te merken.

We besloten het ganglicht uit te laten en de schimmen even hun gaan te laten gaan. Vanachter het matglas zagen we hoe hoge vlammen hun weg zochten in de hoek van het fornuis.

Licht gealarmeerd trokken we de deur open en ontwaarden we twee jongens uit de lagere-school-leeftijd die heftig in een kleine pan stonden te roeren op een te grote gaspit. De pan had het bruisende goedje niet kunnen houden en het hele gaststel bleek veranderd in een oersoep. Op het aanrecht een tiental morsig geopende soepzakjes.

Ze keken ons aan alsof we verwacht werden en dus gingen zo ongestoord door met hun kookkunsten. Nadat we het gas uitgedraaid hadden was voor hun de lol eraf en vertrokken ze rustig en teleurgesteld door de achterdeur.

De soep hebben we maar laten staan. Vanwege de hoeveelheid geopende zakjes waren de zoutkristallen in de brei bijna zichtbaar.

De volgende ochtend vertelde mijn oudste broer dat de soep die hij bij zijn late thuiskomst opgewarmd had verrassend zout smaakte, maar dat hij er desondanks van genoten had.