aan het einde van de pieperakker

ik loop over de pieperakker
gespoten loof bedekt de oogst
in regelmaat uitgelijnde ruggen
gekaderd door wat een akker heet

her en der vroegtijdige ontsnapping
door regen blootgelegde vruchten
door zonlicht groengekleurd
verraden zij wat de oogst zal zijn

tussen de ruggen spoort mijn voetpad
behoedzaam volg ik stil mijn weg
naar wat ik sinds lang wilde ontmoeten
daar aan de akkerrand ver weg

het is een bomenpaar los van een rij
windvangers om de rest te beschermen
tegen de droge wind en natte stormen
en het gestuif van de gespoten akker

ze zijn een paar maar niet hetzelfde
de kopse boom is niet meer bij
stervend vallen haar takken neer
steeds meer steeds meer

de elementen werden haar te veel
of zou het platgespoten loof
een voorbode zijn geweest
wat haar en de rest te wachten stond

de jarenlange oogst van
wat ons voedsel is
laat zo haar dode sporen na
de hele bomenrij zal sterven

nu ik ook kalend wordt
vraag ik me af wiens
wind ik ving en wat
de akker mij gebracht heeft