Mijn zoutpad

Na een kwartiertje lopen glij ik plotseling van het pad af en sta een halve meter lager op de Landweerdijk die het landschap tussen het Ballumer bos en het strand doorsnijdt. Het is zo’n moment in het leven waar je onverwacht op een kruispunt van herinneringen komt te staan. Gedachten komen daarbij soms van links en rechts en sommige nemen zonder gêne voorrang op de rest.

Gisteren sloeg ik voor mijn doen ongebruikelijk snel een boek dicht. Niet omdat ik er klaar mee was – ja, eigenlijk ook wel weer – ik had het in twee dagdelen uitgelezen. Urenlang liep ik, niet alleen in gedachten, mee met een echtpaar dat na een procedurele misschatting hun hele hebben en houwen was kwijtgeraakt, maar ik Google-mapte er lustig op los om te zien waar ik zelf ook gelopen had – ook op de smalle paadjes waar een zoekende voet je aan lagerwal kan brengen. Toen ik er liep was Het Zoutpad  [1] nog niet geschreven en waren Sommerset, Devon en Cornwall voor mij geen graafschappen die met elkaar verbonden waren door het 1014 kilometer lange South West Coast Path.

 Nu stond ik onbedoeld stil, uitgegleden op mijn eigen zoutpaadje en kwamen er golven van herinneringen boven die strandden op het kruispunt van mijn gedachten. Wat maakte dat ik ze juist nu kreeg en waarom juist die? Ik heb me al vaker die vraag gesteld, en wat is een herinnering eigenlijk? Waarom lijken sommige daarvan dicht onder de oppervlakte van het bestaan te liggen en waarom ben ik anderen vergeten – hoe weet ik trouwens dat ik die vergeten ben?

‘Een herinnering is een ervaring uit het verleden die in het geheugen is opgeslagen en die men zich voor de geest kan roepen’ [2] zegt Wikipedia – of opgeroepen kan worden vul ik zelf maar aan. Want zo was het, daar op die dijk. Waar zetelt de herinnering of waart zij rond in een door je ziel bewoont bewustzijn? Hoe je hersenen dit voor elkaar krijgen –   want ze zijn te lokaliseren – wordt mooi uitgelegd op de website van EOS Wetenschap [3]. Het blijken cel- en eiwitstructuren te zijn die na een ervaring zich aangepast hebben en zich daardoor als het ware voorbereid hebben om herinneringen te versterken wanneer ze nogmaals worden opgeroepen. Afhankelijk van het aantal ‘oproepen’ kan er dus sprake zijn van een sterke, zwakke, of vergeten herinnering, met de eventueel daarbij behorende (lichamelijke) reacties.  Een van de ergste en daarmee schadelijkste vormen die we kennen is die van de traumatische herinnering die samengaat met een enorme stressreactie van het lichaam. Psychiater Bessel van der Kolk vertelde daarover recentelijk in het tv-programma Zomergasten. In zijn bestseller The Body Keeps the Score [4] stelt hij dat door (traumatische) ervaringen de structuur en chemie van de hersenen aangepast wordt. Dit sluit aan bij de eerdere omschreven bevindingen op website van EOS Wetenschap.

Maar wat triggert een herinnering, wat maakt dat ze zich meldt? Een beeld, een geluid, een geur of een woord? Volgens mij hangt het mede af van hoe je ‘bedraad’ bent. Mij lukt het zonder moeite om bij een bepaalde lijn in het landschap of bocht in de weg het beeld op te roepen van een eerdere waarneming – mijn sterke visuele geheugen is daar debet aan. Was dit daar op die dijk ook het geval, wist ik mij eenzelfde lijn of misstap te herinneren als die in een van die graafschappen in zuidwest Engeland mogelijk zou zijn geweest?

Er is meer dan dat, het kan ook afhangen van iets anders, iets groters dat uitstijgt boven dat ene moment en die paar centimeters waarop je je bevindt. Mijn uitglijder en het daaropvolgende moment van memory deed me beseffen dat ik de afgelopen dagen – in gedachten meelopend met de schrijver – haar herinneringen gebruikt had om een eigen verhaal zichtbaarder te maken. Een verhaal van een pelgrim die meandert tussen weggaan en thuiskomen.

[1] Het Zoutpad; Raynor Winn, Balans, 2018
[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Herinnering
[3] www.eoswetenschap.eu/psyche-brein
[4] The Body Keeps The Score, Bessel van der Kolk, Penguin Books Ltd, 2015

madeliefje tussen de stoeptegels

het aarzelend begin van licht
heeft plaatsgemaakt voor middaglicht
de tegels om me heen zijn opgewarmd
ginds loopt een ouderpaar gearmd
en kinderen, die zoals zovelen
zich stierlijk lopen te vervelen
de zonnestralen zijn van slag
‘t is derde paaswinkeldag

tussen de tegels is mijn eigen stek
oeps – aan de overkant die oude gek
die gisteren mijn zusje plukte
haar zonder schroom de grond uitrukte
mij achterliet met veel verdriet
ik heb geluk, vandaag ziet hij me niet
mijn plek staat al sinds jaren vast
hoop dat zijn hond dit keer niet plast

herwonnen vrijheid

jij zoete wind van recht en waarheid
doorstorm de akker van het zwijgen
voer weg het doodskleed van vergeten
toon ons wat zonder graf begraven leek

en als je uitgezuchte boosheid is gaan liggen
roep dan naar wie de akker wil betreden
het niemandsland van schuld en schaamte
van prikkeldraad en grenzeloos gedrag

en wacht
en wacht op haar

en neem van haar haar eigen schuld
haar stenen keien van gestolde schaamte
begraaf ze waar het eeuwig donker blijft
verlicht haar last, verlicht haar leven

doorploeg met haar het oude land
maak nieuwe voren, herstel de aarde
en laat haar nieuwe dromen zaaien
zodat ze eind’lijk bloeien kan

wie wint verliest

ik ben een vrij gedicht
– eindelijk losgeraakt –
van opgelegde schema’s
van rijm en metra
de mij omsnoerden

bevrijd van priesters
en hun regelzucht
die overlegden over
mijn zielenheil zonder
het mij te vragen

die mij beperkten
om bevrijd te worden
van eigen ketenen
aangemeten door
zelfbedachte demonen

ik ben op pad gegaan
losgeslagen en op drift
geraakt door het verhaal
van hem die weet wat is
om alles te verliezen

en om terug te winnen
het prikkeldraad van regels
heb ik daarom losgeknipt
zodat mijn woorden vrij zijn
om hun eigen weg te vinden

taalzwanger

#1
och mocht ik toch de pen zijn in je hand
waarlangs je gedachten tot woorden worden
geschreven op de lege bladzijden die nog resten
van jouw debuut dat op ons ligt te wachten
ik zou met je gedachten meedansen
meedeinen op het ritme van de woorden
die in je gedachten voorgevormd wachten
om als je eersteling de dag te zien

#2
onder je krullen ligt een schat
aan woorden, onzichtbaar geweven
tot premature wonderen van taal
die in het talig licht groeien
om aan hun verborgen bestaan
onttrokken te worden
en tekenen van leven tonen
als ze het ochtendlicht begroeten
en het kind in ons wakker maakt

stadscafé Stroomberg

ik kijk uit over het plein
mijn binnenste is warm
gevuld met vaste gasten
en mijn buitenste ring
is het toevluchtsoord
geworden voor hen die
woorden aaneenrijgen tot
verhalen en gedichten

en als de bodem van de
laatste glas zich ontbloot
en het laatste restje wijn is
opgedroogd tot een rood sein
vraag ik de waard die op
gepaste toon en wijze zijn
laatste woorden zal spreken
zodat ik mijn ogen sluiten kan

Rijwielstalling

Op een steenworp afstand van mijn woonplaats, ligt het fanfaredorp Giethoorn. Ik kom er graag. Opgegroeid in een slotenlandschap voel ik me er thuis. Vaak huur ik er een fluisterbootje, uitgezwaaid met een ‘ik zie wel wanneer jullie terug zijn’.

Het is de gewoonte na afloop aan te meren bij het dorpscafé. De Fanfare ligt er weer uitnodigend bij. We worden door de kastelein op de gebruikelijke wijze ontvangen. ‘Heb je nog een plaat bij je?’ Binnen hangt het vol met kentekenplaten, wegwijzers en alles wat plat is en waar iets op staat. Vorige keer bracht mijn kleinzoon een SH-plaatje mee, dat nu achter de bar hangt als uitnodiging om luid en duidelijk te spreken. Als mijn ogen zoekend langs het plafond gaan vraagt hij ‘opa, wanneer neem jij een keer iets mee?’

Ik heb lang getwijfeld, maar nu de jaren gaan tellen besluit ik hem een verhaal uit mijn jeugd te vertellen. ‘Weet je’ begin ik ‘in mijn garage hangt een groot emaille bord waar RIJWIELSTALLING op staat. Ik heb het gekregen van een NS-directeur. Het bord stond jarenlang bij de fietsenstalling in IJsselmuiden, waar ik altijd haastig mijn fiets neerplofte om de trein naar Zwolle te kunnen halen. Toen het gebouwtje afgebroken werd, besloot ik erom te vragen, maar hoorde lange tijd niets. Jaren later belde de NS-directeur naar mijn vader met de vraag wanneer we het bord op konden halen.

Met dat bord in gedachten zoek ik ook nu weer het plafond af. ‘Kijk jongen, als ik dood ben zou dat een mooi plekje zijn, daar boven …..’, nog voor ik uitgesproken ben rent hij naar de kastelein en wijst naar de lege plek boven het biljard. ‘Meneer, kunt u dat plekje daarboven reserveren voor mijn opa, voor als hij dood is meneer?’

de sleutel

kasteel, mijn kasteel, zorgvuldig opgebouwd en ingericht,
serre, uitkijktorens, een zolder met gesloten toegangsdeur,
waarvan de sleutel een verdieping lager ligt
te wachten, te wachten om gevonden te worden door
wie wil zoeken, tot ik, kasteelheer, de deur van mijn gedachten
kan ontsluiten

vergeten sleutel, aan de ronde tafel van het samenzijn
door mijn geliefden in hun talige matrijzen gevormd en
aangereikt aan mij, maar die in de strijd verloren ging,
werkloos bleef de deur van mijn gedachten, totdat ik
vond, en zichtbaar werd wat ik – gedachtenjutter – had
verzameld

nu hij geopend is zal ik mijn volle zolder binnentreden,
wikken en wegen de veelheid aan gedachten en kiezen,
verhalen en gedichten maken tot jonge frisse bloemen,
ze planten in mijn kasteeltuin, in haar middenhart en in
de perken die ik aangelegd heb voor mijn geliefden

met de kinderen van mijn kinderen zal ik de torens
beklimmen, hun laten zien dat mijn domein zich eindeloos
uitstrekt voorbij de horizon, een volle maan en
verre sterrenhemel daar in de oneindige ruimte, waar
onze dromen groeien, spelen als kinderen, kinderen van
de eeuwige jeugd

en in mijn achtertuin, daar waar de zon niet schijnen
kan, zal ik wat ik niet kan of wil gebruiken ophopen
op kille grond, aan de kleine beestjes overlaten totdat
ze volverzadigd zijn, als dan de hoop zijn laatste damp
heeft uitgeblazen, dan zal de tuinman

2 juni 2022

woordenvlucht

in de lente
maakte ik vleugels
en wachtte op een
bries die nooit kwam
en bleef geaard
en zweeg

nadat de lente
was gestorven
heb ik mijn vleugels
hoopvol opgeborgen

in de zomer
strekte ik mijn vleugels
en wachtte op de
thermiek die nooit kwam
en bleef geaard
en zweeg

nadat de zomer
was gestorven
heb ik mijn vleugels
hoopvol opgeborgen

in de herfst
ontvouwde ik mijn vleugels
en schuilde voor de
storm die wel kwam
en bleef geaard
en zweeg

nadat de herfst
was gestorven
heb ik mijn vleugels
hoopvol opgeborgen

nu – in de winter
met opgeborgen vleugels
droom ik dat
ik zonder vleugels
vlieg op de woorden
die ik niet zeggen kon