Rijwielstalling

Op een steenworp afstand van mijn woonplaats, ligt het fanfaredorp Giethoorn. Ik kom er graag. Opgegroeid in een slotenlandschap voel ik me er thuis. Vaak huur ik er een fluisterbootje, uitgezwaaid met een ‘ik zie wel wanneer jullie terug zijn’.

Het is de gewoonte na afloop aan te meren bij het dorpscafé. De Fanfare ligt er weer uitnodigend bij. We worden door de kastelein op de gebruikelijke wijze ontvangen. ‘Heb je nog een plaat bij je?’ Binnen hangt het vol met kentekenplaten, wegwijzers en alles wat plat is en waar iets op staat. Vorige keer bracht mijn kleinzoon een SH-plaatje mee, dat nu achter de bar hangt als uitnodiging om luid en duidelijk te spreken. Als mijn ogen zoekend langs het plafond gaan vraagt hij ‘opa, wanneer neem jij een keer iets mee?’

Ik heb lang getwijfeld, maar nu de jaren gaan tellen besluit ik hem een verhaal uit mijn jeugd te vertellen. ‘Weet je’ begin ik ‘in mijn garage hangt een groot emaille bord waar RIJWIELSTALLING op staat. Ik heb het gekregen van een NS-directeur. Het bord stond jarenlang bij de fietsenstalling in IJsselmuiden, waar ik altijd haastig mijn fiets neerplofte om de trein naar Zwolle te kunnen halen. Toen het gebouwtje afgebroken werd, besloot ik erom te vragen, maar hoorde lange tijd niets. Jaren later belde de NS-directeur naar mijn vader met de vraag wanneer we het bord op konden halen.

Met dat bord in gedachten zoek ik ook nu weer het plafond af. ‘Kijk jongen, als ik dood ben zou dat een mooi plekje zijn, daar boven …..’, nog voor ik uitgesproken ben rent hij naar de kastelein en wijst naar de lege plek boven het biljard. ‘Meneer, kunt u dat plekje daarboven reserveren voor mijn opa, voor als hij dood is meneer?’

Deal or Die

XXXXX‘Als de sirenes gaan’ had ze bij hun laatste ontmoeting zichtbaar door de glazen wand gefluisterd die hen al zes jaar van elkaar scheidt. ‘Zuid’ vervolgde ze terwijl ze nauwlettend de indommelende bewaker in haar ooghoek hield.
XXXXXJohnny had het iedere dag daarna met eenzelfde fluistertoon herhaald om niet te vergeten, niet te vergeten dat Sandra zijn life-line is.

XXXXXVandaag is het de eerste van de maand. Unit 5 heeft lunchpauze. Johnny eet graag alleen. Iedereen respecteert zijn zelfgekozen isolement – ook uit eigen lijfsbehoud. Voor Sam maakt Johnny heel af en toe een uitzondering. Dan praten ze samen over hun tijd bij de marine, toen ze in de Cariben met de ‘Holland’ jacht maakten op drugssmokkelaars en hoe ze een deel van de vangst verstopten in de kombuis, voor eigen gebruik en voor Klaas Bruinsma, de sergeant-majoor die nu in isoleer zit in Unit 1. Vandaag geen Sam, het is wachten op de sirenes.

XXXXXMet ingehouden pas loopt Johnny naar de zuidmuur, daar waar de felle zon het niet kan winnen van de betonnen gevangenismuur en een smalle strook schaduw moet toestaan. Met vaste regelmaat kijkt hij omhoog naar de gevangenisklok, die de tijd voorbij laat gaan – totdat de grote wijzer zijn kleine pendant volledig bedekt en er sirenes klinken. Quasi geschrokken laat Johnny zijn aangebroken lunch op de grond vallen en draait zich ostentatief om in de richting van het aanzwellende geluid. Als het weggestorven is raapt hij zijn lunch bijeen en ook de mandarijn die met een onhoorbare plof zojuist voor zijn voeten is gevallen. ‘Op Sandra kun je vertrouwen, gelukt’ fluistert hij in zichzelf – ‘weer gelukt’ – tot vandaag. Zijn gedrag in de schaduw is niet onopgemerkt gebleven – vrienden kennen elkaar.

XXXXXAls Johnny zijn schaduwplek wil verlaten spreekt Sam hem dreigend aan.
XXXXX‘Zeg Johnny, ik heb het wel gezien hoor, kom maar op met dat spul, Klaas zit zonder.’
XXXXX‘Opzouten man’ snauwt Johnny hem toe, ‘je regelt zelf maar wat voor die Klaas-baas, wil je soms een knal voor je kop?’
XXXXX‘Ik zou maar effe dimmen man’ schreeuwt Sam terug terwijl hij Johnny vastpakt, ‘je kent Klaas toch, geef hier anders stuurt hij zijn broer op je meissie af heeft ie gezegd.’
XXXXX‘Ja of op die van jou als je hem dit keer ook weer teleurstelt.’ reageert Johnny. ‘En die trut kan sowieso doodvallen sinds ze mij bedrogen heeft’ Dus kom maar op makker, eens kijken wie er binnenkort weer vrijgezel is!’
XXXXXNog voordat de, uit hun zonnebad ontwaakte, bewakers het vechtende tweetal hebben bereikt heeft zich een aantal gevangen in een beschermende scrumvorm rond hen opgesteld. Hun luidkeelse aanmoedigingen zijn tot ver buiten de gevangenismuren te horen.

XXXXX‘Toe Cor’ zegt Herman terwijl hij de kooi van zijn gevederde metgezel opent, ‘ga eens kijken of er wat te halen valt.’
XXXXXHet is een kleine minuut vliegen van het vervallen atelier naar de gevangenis ‘en mooi dichtbij’ had Herman nog vorige week tegen de gevangenisdirecteur gezegd op weg naar zijn zoveelste proefverlof.

XXXXXHet wordt zwarter en zwarter voor Johnny’s ogen. Hij voelt dat hij het gevecht met Sam om Sandra’s cadeau aan het verliezen is – alsof hij voor de tweede keer zijn kostbaarste bezit aan hem moet afstaan.
XXXXX‘Nee, nu niet en nooit niet’ schreeuwt Johnny terwijl hij de openbarstende mandarijn door een haag van behaarde benen gooit. Vlak voordat het licht helemaal uit zijn ogen verdwijnt ziet hij nog net hoe een groen-rode schim het vrijgekomen witte zakje oppikt en er al krijsend mee vandoor gaat.

Schrijversvakschool #Proza-1 / les 7

Schuldige schaamte

XXDe stervende zon verlaat het oude spoorhuis aan de Luchiesweg. Harm is nog net op tijd voor het avondritueel van zijn jongste dochter. Bij de laatste omarming is er twijfel – het is coronatijd. En als het ‘amen’ klinkt valt er een traan.

XX‘Moi’. Chauffeurscafé De Dissel is overvol. Voor Harm en zijn vrienden is het weekend. Bert kent hij al sinds dat hun moeders hen naar de crèche van de Grote Kerk brachten.
XX‘Gedoe zeg, dat corona’. Het is Harm die weten wil wat zijn vriend er allemaal van vindt. ‘Is het fake nieuws of toch echt?’ Een antwoord komt er niet. Dan, als ze aan het einde van de avond hun blazen hebben geleegd, is het Bert die de rokerige stilte doorbreekt.
XX‘Zeg Harm, Hilligje vertelde vanmiddag dat je gisteren haar werk gebeld hebt, voor een afspraak.’ Geschrokken keert Harm zich van zijn vriend af ‘kijk me aan Harm, laat je je soms inenten?’
XX‘Nee, tuurlijk niet’ snauwt Harm, ‘dat hebben we toch beloofd afgelopen zondag in de kerk – ik ben Petrus niet!’

XXHet is slechts een paar minuten lopen naar Harms huis – te kort voor het vinden van een gewetensvol antwoord op de knagende vraag waarmee zijn vriend hem achterliet, maar lang genoeg om zich zijn laatste traan te herinneren.

XXDe volgende morgen neemt Harm zijn vrouw en kinderen mee naar de markt. Visboer Timmermans heeft zijn wagen zo neergezet dat de klanten windstil het laatste nieuws kunnen uitwisselen. Als de onlangs geplaatste priktent ter sprake komt ziet Harm hoe de klandizie zich langzaam opdeelt in twee elkaar toeschreeuwende groepen met Harm en zijn gezin – inmiddels overmand door keuzestress – ertussenin.
XX‘Hier, je hoort toch aan deze kant Harm?’ schreeuwt iemand, maar nog voordat hij binnen een van de groepen getrokken wordt klinkt een verlossend ‘vier gebakken scholletjes’ gevolgd door een, tot bijna ieders tevredenheid uitgesproken, ‘ja’ van Harm.

XX‘Broeder.’ Bij het uitgaan van de kerk voelt Harm een hand op zijn schouder. Het is de ouderling van dienst die hem achternagelopen is. ‘Ik maak me zorgen om jouw heil Harm’ fluistert hij, waarna hij diep ademhaalt alsof het hoge woord nog op kracht moet komen. ‘Gisteren zag ik je zus bij jullie naar binnen gaan, jullie hebben toch al in jaren geen contact meer?’
XX‘Nou, da’s dan toch juist mooi’ antwoordt Harm, terwijl hij een stap extra zet om aan de man te ontkomen.
XX‘Ze werkt toch bij de GGD en …’, nog voor de man uitgesproken is heeft Harm zich omgekeerd en grijpt hij hem bij zijn revers.
XX
‘Nee en nog eens nee, ik laat me niet inenten!’ Het zijn Harms laatste woorden die ochtend.

XXHet is slechts een paar minuten naar waar je niet lopen mag – lang genoeg voor een onbesliste strijd tussen schuld en schaamte. En als de avond valt doorklieft een laatste zonnestraal de kierende gordijnen en kust een kindertraan.

Schrijversvakschool #Proza-1 / les 6

Die mij slechts wil

Ik ben er uiteindelijk maar aan gewend geraakt. Klok- en borrelgeluiden doen me nu niets meer. Schimmen van licht en donker, onwennig schudden en een pallet van zoetzuurzout – ze zijn mijn vrienden geworden. Maar mijn grootste vriend is het aan- en uitzuigende geluid dat mij het besef van tijd gegeven heeft. In het begin was het anders. Toen wist ik niet wat er allemaal om me heen gebeurde, laat staan met mezelf. Nu wacht ik vaak geduldig op een vrouwenhand die het water in beweging brengt en mijn jonge rug masseert. En als het stil wordt en de eenzaamheid zich voelen laat toost ik mezelf – mijn vingerhand, hij weet de weg.

Vandaag is onrust mij de baas. De afgelopen twee weken is mijn vrijheid steeds verder ingeperkt. De koprol van vorige week lukt al niet meer. En er zijn steeds hardere geluiden. Lange reeksen van monotone doffe klanken hebben de plaats ingenomen van de aaneengeregen zangerige tonen die mij leerden wat vertrouwen is. En steeds meer handen, terwijl ik slechts die ene wil – die mij slechts wil. 

Zo gaat het nu al een tijdje en dat begint me aardig te vervelen. Iedere keer als ik mij beweeg perst het suizende water zich rond mijn opgevouwen lijf. Nu zitten zelfs mijn handen onbeweeglijk klem en voelen mijn strekkende benen hoe ze halverwege zachthandig teruggeduwd worden – aarzelend en voor even. Dan is er weer wat meer bewegingsruimte en kan ik afwisselend mijn linker- en rechterbeen strekken, of mijn beide armen in omgekeerde volgorde. Dan is het weer rustig – maar niet voor lang. 

In de voorbije uren is iedere volgende duw erger geworden dan de vorige, telkens in kleine stootjes maar niet onopgemerkt. Soms wordt de druk te hoog en kleuren mijn armen. En als mijn neus iets onbekends raakt begin ik me echt zorgen te maken. Het lijkt erop dat iets – of zou het een iemand zijn – me eruit wil werken, weg uit de omgeving waar ik mezelf ontdekte en ik mijn rust vond. Weg uit de omgeving waar een vrouwenhand en ik elkaar vertrouwden. Soms is er even weer ontspanning en lijkt de omklemming het op te geven – maar niet voor lang. 

In de voorbije minuten kondigden opzwepende geluiden een doorbraak aan. Geluiden worden stemgeluiden terwijl het vertrouwd suizende water om mij heen wegkolkt. Zachtheid wordt hard. De fletse schimmen van weleer zijn fel geworden, het tere schudden is niet meer en als ik proef smaak ik slechts afscheidsbitterheid. Een andere werkelijkheid lijkt zich aan te dienen. Mij rest slechts overgave – en als haar tijdsgeluid verstommen zal – weet ik: het is mijn tijd. 

4-10-2021 voor Lisanne en Loes

Schrijversvakschool #Proza-1 / les 4

De (eigen)waarde van een boom

Hebben bomen recht van spreken en hebben ze zelf iets te vertellen over hun leven en levenseinde? En als dat zo is, is hun verhaal dan aan dovemans oren gericht, onze oren?

Ik liet mijn avondkrant zakken en door de vrijgekomen vouw keek mijn vrouw mij aan. ‘Wat is er?’ vroeg ze. In de krant stond een artikel over illegale bomenkap in een naburig dorp. Ik stopte abrupt met lezen, weer een onbenul die de waarde van bomen niet kent oordeelde ik snel. Het was het zoveelste voorval dat ik in de afgelopen week tegenkwam in de media over het doden van bomen, met of zonder vergunning. En om mijn ergernissen te stroomlijnen begin ik mezelf dan vragen te stellen, vragen zoals hierboven. Ik besloot er een boompje over op te zetten, dit boompje.

Bomen zijn ouder dan de mensheid. Uit scheppingsverhalen blijkt dat zij ons voor waren. Eens gaven zij de eerste scheppingsadem aan ons door, zodat wij kunnen leven van hun gave die fotosynthese heet: Scheppingslicht omgezet in zuurstof, hun dood is onze dood. Maar al te vaak keren wij die afhankelijkheid om, zoals in het naburige dorp; omgezaagd omdat ze toevallig op ‘onze’ grond of in de weg stonden.

Wat is de waarde van een boom? Heeft hij alleen waarde voor zijn omgeving of ook voor zichzelf en wat is dat dan? Vele uren googelde ik – tot in de late uurtjes – naar een definitie van- en een methode voor het berekenen van hun waarde. In eerste instantie vond ik door schade-experts bedachte rekenmodellen. Begrippen als handelswaarde en vervangingswaarde kwamen langs, bedoelt om vast te kunnen stellen hoeveel je moet betalen als je de boom van je buurman dood-gesnoeid hebt. Net voor het laatste journaal stuitte ik op het model van de Ecosysteemdiensten, een model dat, net zoals ikzelf graag doe, veel verbanden legt. Het is laat geworden en ik liet het late nieuws over aan het vroege nieuws van de volgende dag.

Ongewoon vroeg zat weer achter mijn scherm. Ik had de nacht wakker gelegen omdat mijn vondsten nog geen antwoord hadden gegeven op de vragen over eigenwaarde en zelfbeschikkingsrecht van bomen. Ik besloot het daarom over een andere boeg te gooien en de teksten en modellen te verruilen voor de bomenbeelden uit mijn fotoarchief. Ik vond er onverwacht veel, het blijkt dat ik iets met bomen heb, vooral met solitaire bomen. Voor één heb ik eerder een gedicht geschreven – aan het einde van de pieperakker – alsof ik iets tegen hem wilde zeggen, of zijn sprakeloosheid woorden wilde geven. Nu las ik het zin voor zin, slechts onderbroken door de korte blikken die ik hem gunde. Het was alsof ik daar weer stond, daar waar ik hem vaker ontmoet had en ook nu weer toesprak.

Een paar weken geleden was ik er voor het laatst. De late sneeuw lag als een kleed over het landschap. Aan het einde van mijn voetstappen stond ik stil op de plek waar hij eens stond en boog mij langzaam voorover. Voorzichtig veegde ik wat stukken weg van wat het doodskleed bleek te zijn dat mijn boom toegedekte. Al langer was hij stervende, maar nu lag hij in stukken, de felle wind had zijn laatste adem uitgeblazen en zijn kracht gebroken. Bedroefd nam ik afscheid in de verwachting hem niet weer te zien. De landeigenaar kennende zou het een welkome aanvulling op zijn kachelvoorraad. Bomen worden zelden begraven.

Starend naar de afscheidsfoto vroeg ik me af waarom ik in deze flashback nog steeds geen antwoorden had op mijn vragen. Waarom had ik die vragen überhaupt aan mezelf gesteld en konden ze wel betrekking op een ding? Het ‘ding’ bleek het kantelpunt van mijn gedachten te zijn. Toen ik daar in gedachten weer stond keek ik niet naar een ding en toen ik het krantenbericht las voelde ik dat het meer dan over dingen ging; dat gevoel was de bron van mijn boosheid. Ik blijk in de afgelopen jaren bomen ongemerkt gepersonifieerd te hebben tot meer dan dingen waarover ik vrijelijk kan beschikken; levende wezens!

En daarom stelde ik dezelfde vragen die ik ook mezelf als mens kan stellen. Dus zette ik mijn zoektocht met mijn terechte vragen voort en stuitte op Peter Wohlleben, een boswachter die een boek geschreven heeft over Het verborgen leven van bomen. Het werd besproken in een podcast van de Groene Amsterdammer die over de waarde van bomen ging. Bomen blijken sociale wezens, ze kunnen met elkaar communiceren via schimmelnetwerken, een Wood Wide Web. Wanneer een parasiet zich op een boom nestelt zendt deze via dat netwerk een signaal naar andere bomen, die dan tannine aanmaken, zodat ze minder aantrekkelijk worden voor knagende en plakkende vijanden.

Dat bomen sociaal zijn blijkt ook uit de wijze waarop ze met hun nakomelingen omgaan. Om ze te laten overleven bij weinig licht staat de moederboom een deel van haar suikers af aan haar kroost; hoe zorgzaam kun je zijn? Ik ga het boek zeker lezen.
De dingen die ik in afgelopen week las, zag en beluisterde hebben mijn basale respect voor bomen omgezet in grote bewondering. Iedere volgende ontmoeting met één van hen zal daarom anders zijn. Zal ik dan het antwoord vinden op de vragen die me wakker hielden deze week?

De laatste gieter       

De dagen worden langer. Karin heeft met een dun laagje aarde de laatste groentezaadjes toegedekt. Haar achtertuin is niet haar lust, maar wel haar leven. Bloemen zul je er niet vinden, het is haar voedselschuur. Sinds de dood van haar man is ze vaste klant bij voedselbank en kringloop. En af en toe een koopje bij een supermarkt.

Plof. Het is woensdag, folderdag. In één ruk trekt ze de foliezak open en spreidt de inhoud over tafel. Tuinfolders, waar zijn ze? Hier, staat er een gieter in? Ja!  1 euro is niks, vrijdag direct halen voor ze op zijn.

Vandaag haast Karin zich naar de buurtsuper op de hoek. Die gieter moet en zal ze hebben. De oude is lek en dit is een koopje. Als ze maar op tijd is. Ze rent in stille draf door naar de tuinafdeling. Dan blijft ze plotseling staan. Haar buurvrouw staat voor een leeg rek met een – een gieter in d’r hand!
“Hoi Kari, ik dacht …”.
“Geef hier Théresia, je weet dat ik hem nodig heb en niet om in m’n vensterbank te showen – jij hebt geld zat!”
“Ho-ho, wat doe je nou Karintje, terug dat ding, het is precies mijn kleur!”

Langzaam vult het gangpad zich met klanten. Het geschreeuw is hun niet ontgaan. Dan wringt een klein meisje zich door de mensenmassa naar voren en trekt Théresia aan haar jas.
“Mam, heb je een euro voor een candy en – laat haar toch, doe niet zo mal!”

Ongemakkelijk blij loopt Karin naar de kassa en tast haar jaszak af naar de laatste euro voor die week. Ze vindt er twee. Hè?!
Vertwijfeld kijk ze om zich heen. Door een beslagen winkelruit zien kinderogen nog net hoe ze de gieter op de loopband zet.

Bijenman

Als de dag aarzelend afscheid neemt van de nacht zet de jonge Melisseus zijn fiets tegen het verboden-toegang-bordje. Een oud notitieboekje vergezelt hem bij zijn jaarlijkse overtreding. Zijn stappen laten lange sporen na in het nog natte gras. Goudgele bladeren, wakker gewaaid door de ochtendwind, kiezen hun weg over het slingerende pad. Dan staat hij stil en luistert naar het landschap; hoe zal hij haar boodschap op deze dag verwoorden en aan zijn boekje toevertrouwen?

Aan het einde van het pad opent hij een hek van bomenplanken waarachter de laaghangende mist een dalend pad toedekt. Op haar diepste punt een plas die als een spiegelpoort hem toegang geeft tot een nog onzichtbare bestemming. Zijn laarzen doen hun werk en met droge voeten bereikt hij het afgesloten weilandje.

“Zijn thuis” vertrouwt hij zichzelf en het notitieboekje toe. Een lange rij donkergroene bijenkasten tekent zich scherp af tegen een door de mist verhulde bomenrij erachter. De aarzelend doorbrekende zon verlicht hun smalle gleuven die start- en landingsplaats zijn voor het net ontwaakte bijenvolk. Een door de wolken gebundelde zonnestraal beschijnt de grote paddenstoel die aan het einde van de kastenrij als een vuurtoren de wacht houdt over een nog slapend eiland vol met herinneringen.

Hier zou hij eeuwig willen wonen om bijenman te zijn zoals zijn opa-naamgenoot die hem het boekje naliet. “Schrijf er in wat je ziet jongen, wat je ruikt en wat je hoort. En lees, herlees om nooit te vergeten” had hij hem op zijn sterfbed toegefluisterd. “Laat die herinnering je droomhuis zijn”.

Dan, als de avondzon de nacht begroet pakt hij het kleine boekje en wrijft over de vers beschreven bladzijden − alsof hij de laatste restjes mist uit het woordenlandschap veegt om zich weer even thuis te voelen − bij opa.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Melisseus

Nicolaas Reichenbach

Ik boemel met het Kamperspoor. Tegenover mij een besnorde man met eveneens zwart krullend haar en een dik-omrande bril met sterke plusglazen. Met zijn rechterhand bladert hij door een bundel papieren in zijn aktentas. Zijn armband maakt een metalig geluid als deze langs de rits raspt. Dan trekt hij een blad bladmuziek omhoog en legt deze rechts op het kleine zijtafeltje onder het raam. 

Hij kijkt me aan, maar ik kijk weg. Dan richt hij zich op het tafeltje en maakt met zijn linkerhand regelmatige draaiende bewegingen. Als ik weer durf op te kijken zie ik dat ook zijn lippen regelmatige bewegingen en smakgeluiden maken en ook zijn hoofd doet in hetzelfde ritme mee. Zo nu en dan kijkt hij naar zijn spiegelbeeld in het raam en lacht tevreden alsof ze samen muziek maken.

Snerpende remmen kondigen eindstation Kampen aan. Gehaast pakt de man zijn spullen bij elkaar en steekt zijn bladmuziek in de buitenzak van zijn lange zwarte leren jas. In het halletje houdt hij zich vast aan de ijzeren sta-stang en tikt in strakke regelmaat met zijn ring tegen het metaal. Zijn glimlach in de richting van zijn reisgenoten verraadt dat hij ervan geniet. Dan gaan de deuren met een sissend geluid open. Op het perron staat hij even stil en haalt zijn bladmuziek weer tevoorschijn, kijkt er even op om deze vervolgens in zijn binnenzak te stoppen. Dan begint hij afwisselend te neuriën en te hummen, waarna hij vervolgens met driekwartsmaat-stappen zijn weg vervolgt richting de oude IJsselbrug.  

Geboeid door zijn gedrag besluit ik hem op de voet te volgen en zie dat hij steeds na een vast aantal stappen van tempo verandert om vervolgens na eenzelfde aantal passen zijn tempo weer te veranderen. Bij elke wisseling kucht hij even alsof hij dat punt daarmee markeert. Iedere stap op het ijzeren brugdek klinkt als de tik van een metronoom. 

Ik volg hem tot aan Vloeddijk 38. Onderweg heeft hij een paar keer zijn aktentas doorzocht en bladmuziek bekeken, soms afgewisseld met een korte zit- en adempauze. Voor de deur van de oude muziekschool stopt hij, waarna hij schichtig om zich heen kijkt, alsof hij niet gezien wil worden. Dan opent hij de deur en vult de dijk zich met een milde klankenbrij, die bij het sluiten weer verdwijnt alsof ze er nooit geweest is – evenals Nicolaas Reichenbach zelf.

‘t Wort nie wat

Ik zit met mijn vrouw en dochter op het zeshoekige Joop Edes boombankje in het centrum van Nes. Op het pleintje met de aanpandige neringen van bakkerij De Jong en Hotel de Jong. Ik heb net bij de eerste drie King size roombroodjes gekocht die we ons goed laten smaken. We nemen de wolkbreuk van poedersuiker voor lief die zich over onze kleding en schoenen uitstort als teken van ongemak. De hand van De Jong is uitgeschoten of hij wil, de omvang van zijn klandizie kennende, voorkomen dat deze door hypo’s overmand zijn suikerklontjesvoorraad tot een beklagenswaardig minimum reduceren.

Net als wij onze mond wijd open en op korte afstand van de eveneens met overdaad aangebrachte room gepositioneerd hebben wordt we opgeschrikt door een drietal fiets-afstappende dames op leeftijd, die zich gedragen als brugpiepers uit vervlogen tijden. Alsof ze op mars geland zijn geven ze aan elkaar in staccato instructies over de wijze waarop en waar hun ongetwijfeld gehuurde tweewielers het beste gestald kunnen worden. Aan hun uiterlijk te zien schat ik dat het gezelschap uit één moeder en twee dochters bestaat. De vorige keer dat we hier zaten en eveneens een drietal dames ons het uitzicht belemmerde leek het omgekeerde het geval. Maar wellicht was het een tienermoeder die op stap was met haar dochters, waarvan één een nakomertje was.

Nadat zijn hun armen, benen en andere lichaamsdelen gestrekt hadden keken zij in het rond als zeeverkenners op een booreiland. Ze stonden de coronaregels overtredend in driehoeksopstelling dicht bij elkaar, ieder met uitzicht op een ander deel van het plein. De vrouw met de blauwe pantalon met plooi en een wit vest hengelde een bijpassend wit handtasje uit haar fietstas, waaruit ze vervolgens een mondkapje trok en deze met de witte kant naar buiten over haar gezicht trok. Als volleerde ordehandhavers stortten de andere twee zich op de, door mij tot moeder geconcludeerde, derde persoon om deze ondersteund met handgebaren te gebieden het mondkapje om te draaien. Haar restte niets anders dan te gehoorzamen, gezien de met tatoeages gedecoreerde bovenarmen van haar belagers, waarna het beugeltje haar welgevulde onderkin ondersteunde.

Nadat ze zich enkele malen om hun as gedraaid hadden begon ons op te vallen dat één van hen de ogen bij iedere ommedraai net iets langer op ons gericht hield dan je zou mogen verwachten op basis van hun rotatiesnelheid. Haar pupil draaide daarbij van de ene ooghoek naar de andere waardoor deze een nog net voldoende onbewogen beeld van ons gaf, op basis waarvan haar eigenaresse concludeerde, dat we de roombroodjes nog niet voor de helft verorberd hadden en dat dat ook nog wel even ging duren, waarna ze als een dorpsomroeper de pleingasten, die met toenemende verbazing het roterende drietal hadden gadegeslagen, daarvan op de hoogte stelde met de woorden:

“Kiek, doar zoaten wie veurig moal, moar ik zie ‘t al, ’t wort niet wat, loaten we mor aanderkaant goan plakken.

Die schrijft die blijft

Tussen de gitaren zit ik weer. Ik heb me een schrijfplekje toegeëigend in het midden van de winkel. Al eerder schreef ik hier een stukje en ook deze keer kan ik de aandrang niet onderdrukken.

Mijn zoon is aan het puzzelen, te weinig linkshandigen en de exemplaren die hij geprobeerd heeft lijken niet te bevallen. En hier zit ik dan, terwijl om mij heen de muziek opstijgt uit een keur van instrumenten.

Een jeugdig uitziende medewerker – die zich voorstelt als student letterkunde – heeft me een kopje koffie gebracht en een tafeltje bijgeplaatst om mijn geschrijf niet te bemorsen.

‘Aan het schrijven meneer ?‘

Wat zal ik antwoorden ?

Ik vertel van mijn vorige ervaringen in deze winkel en dat ik er eerder ook een stukje over schreef en dat ik dat samen met andere teksten tot een boekje gebundeld heb dat nu in de winkel ligt.

‘Bent u een schrijver meneer ?‘

Wat zal ik antwoorden ?

Dan vertel ik dat ik zaterdag het boekenbal bezocht, samen met mijn broer Johan die ondanks zijn hoge leeftijd nog als beste boekverkoper van Nederland te boek staat. Laatst was hij nog te gast bij Op-1 samen met Jean Cristophe Boele van Hensbroek, directeur van Lemniscaat, die beaamde dat Johan gewoon de beste is.

De mond van de student staat inmiddels wijdt open. ‘Dat is ook mijn droom meneer, dat boekenbal’, waarna hij met een diepe buiging achterwaarts treedt al steun zoekend bij collega’s die hem troostend opvangen.

Fluisterend en mij niet uit het oog verliezend vormen ze een kring en lijkt ongeloof zich van hen meester te maken; als regendansers in de Sahara heffen zij, onder het slaken van ritmisch uitgestoten ‘oh’s en ah’s’, hun handen omhoog, om er vervolgens hun ogen mee te bedekken. Na twee minuten zwijgen ze, waarna zich voor mij gestrekt ter aarde te laten vallen en mij met wijde ogen aan staren.

Het tafeleer blijft niet onopgemerkt in druk bezochte winkel, andere gasten willen er het hunne van weten. Uit alle hoeken snellen ze toe en staren mij inmiddels ook aan met opengesperde ogen. Ik geniet ervan, van mij mag het best nog even duren.

Tegen sluitingstijd komt er pas verandering in het tafereel. De meesten zijn bijgekomen van de schrik en durven eerst nu mij om een handtekening te vragen, Met verve krabbel ik mijn naam op borsten en billen en als alle klanten vertrokken zijn wil ook het personeel een blijvende herinnering.

Als laatste komt de student langs. Zijn adoratie lijkt inmiddels verdwenen. Bijgekomen van de emoties heeft hij het schouwspel van een afstand gevolgd en heeft zich daarbij suf gepeinsd wat er achter mijn brede glimlach kon zitten.

‘Mag ik weten hoe u heet meneer ?’

Wat zal ik antwoorden ?

Als ik mijn naam zeg kleurt zijn gezicht als de ondergaande zon.

Bent u wel echt schrijver meneer en spreekt u wel de waarheid meneer ?’

Wat zal ik antwoorden ?

‘Niets dan de waarheid jongeman, wat heb ik anders het afgelopen uur gedaan ?’.